In de vaart der volkeren

Fragment uit deel I van het manuscript Bertje (1905):

keuken

foto: kb.nl

Sinds de industrialisering was de thuiswever niet meer nodig. Gropy was eigenlijk overbodig. Zo af en toe kreeg hij nog een opdracht uit de fabriek. Dat was echter niet voldoende om van te kunnen eten en de huur van het woninkje te betalen.

Toen Gropy doodging kreeg Gromy van de dames van de liefdadigheid poets- en boenwerk in hun grote huizen voor een grijpstuiver. Tot aan het einde van haar leven boende en schrobde Gromy de gangen en zalen van de grote huizen. Om de eindjes aan elkaar te knopen ging ze uit bedelen. Ze had haar plekje op de trap bij de kerk, daar zat ze op zondagen onder een omslagdoek met gaten.

Mijn moeder, die iedere zondag naar de kerk ging en mij meenam, deed net of ze haar niet kende. Met een grote boog liep ze om haar heen. Soms begon Gromy te schelden,

‘Takkenteef, tepelwrat, kapot gewerkt heb ik me voor jou, tietmier, kikkerkut.’

Het enige wat ik goed verstond was die kikker, angstig klemde ik me vast aan ma’s rok. Ma keek schichtig om zich heen, waren er misschien bekenden in de buurt die het schimpen hoorden. Ze pakte mij bij mijn nek en sleurde mij de kerk in. De mensen wisten dat de oude bedelares familie was en gniffelden stiekem, maar in ma’s gezicht deden ze net of ze met haar meeleefden.
‘Je hebt het al zo zwaar en dan nog zo’n bedelares en dief in de familie, goed dat je d’r niet meer ontvangt, je moet op je spullen passen als ze bij je komt,’ teemden ze.
Toen ik getrouwd was en mijn man goed verdiende, stopte ik zo af en toe Gromy geld toe. Mijn man mocht het niet weten. Hij vond haar weerzinwekkend, van meet af aan wilde hij mij verbieden met haar om te gaan, maar ze was en bleef mijn Gromy, ik kon en wilde haar niet negeren. Grommend legde hij zich erbij neer

dat ik haar zo af en toe ontving in de keuken, maar hij wilde haar niet tegen komen in huis. Dat beloofde ik met de hand op mijn hart.

Getagged , , , , , , , ,

Rangen en standen

foto: Geheugen van Nederland

God wilde ’t onderscheid van gaven, rijkdom, rangen’ verklaarde Da Costa in zijn gedicht ‘1648 en 1848’, en hij vertolkte daarmede een wijd verbreide opvatting, die nog uit de Middeleeuwen stamde.

Verzwakking van het standsbesef bij de minder gesitueerden leek daarom uit maatschappelijk oogpunt gevaarlijk en afkeurenswaardig. De toespraken, gehouden bij de jaarlijkse prijsuitdelingen voor de stadsarmenscholen te Amsterdam, hameren steeds op hetzelfde aambeeld: de leerlingen mogen zich niet boven hun stand verheffen, maar moeten ‘achting en liefde’ voor de hogere standen koesteren.¹ Een in 1845 gepubliceerde brochure ‘Over de zucht naar standsverheffing, beschouwd in verband met het lager onderwijs’ nam een ‘zorgwekkend verschijnsel’ waar: de zucht bij kinderen, ‘om zich boven den stand hunner ouders te verheffen, en naar hoogere staat of meer aanzienlijke betrekking te streven.’ Het opmerkelijke is, dat de brochure een uitgave was van de Maatschappij tot Nut van het algemeen, die in 1839 een prijsvraag over dit onderwerp had uitgeschreven.

Het ‘volk’ moest dus klein worden gehouden. Gedachten en wensen, die uit het volk oprezen, vonden geen aandacht. Een typerend staaltje: wanneer Van Pallandt van Keppel, directeur-generaal van hervormden eredienst, in 1824 een verzoekschrift uit Zeeuws-Vlaanderen ontvangt, maakt hij den Koning er op opmerkzaam, dat geen der ondertekenaars ‘wegens zijnen stand in de maatschappij of vermogen onderscheiding verdient’.²

 

¹Brugmans, Arbeidende klasse

²Verberne, Sociaal en economische motief

Bron: http://www.dbnl.org

Getagged , , , , ,

Slaapkledij door de eeuwen heen. Deel II: 19e eeuw en daarna

Foto: commons.wikimedia.org Jan Steen

Tot in de 19de eeuw zijn veel huizen overvol. Kleine woningen zijn dat vanzelfsprekend, maar ook de grote patriciërshuizen en de kastelen die nu een indruk van verlatenheid geven, krioelden van het volk. Mensen sliepen met velen in een kamertje, in de keuken, in de gangen, onder de trap, ergens op een bank of op de grond.

Ook de bedden waren vol. Voorname lieden zagen er geen bezwaar in met vreemden in één bed te slapen wanneer ze in een herberg moesten overnachten.

Hedendaagse hotels bestaan tegenwoordig meestal uit afzonderlijke vertrekken voor overnachting. Lokalen waarin men met de anderen sociaal contact kan hebben, maken procentueel slechts een klein gedeelte van de leefbare oppervlakte uit. Vroeger was dit anders. Er was een kleinere of een ander schaamtegevoeligheid, met daarnaast een grotere behoefte aan sociaal contact. Afzondering was niet alleen misplaatst, maar ook gevaarlijk. Men bracht veel tijd door in taveernen, bierhuizen en clubs, ook tijdens de dag. Geleidelijk nemen sommige groepen afstand van deze gemeenschap waarin aanvankelijk iedereen, hoog en laag, edelman en handelaar, samen aan dezelfde tafel aanzat.

In plattelandsherbergen vinden we deze situatie nog. In een statische maatschappij, waarin ieders plaats duidelijk bepaald is, bestaan er geen bezwaren tegen het contact tussen hoog en laag. Het helpt niet wanneer men zich op snobistische wijze aanstelt. Men maakt zich alleen maar belachelijk.

Met de sociale veranderingen ontstond een behoefte aan afstand, aan privacy. Men vindt dan vooral nog gekunstelde toenaderingspogingen van personen die sociaal willen ‘doen’, burgers die zich willen neerbuigen over het gewone volk, sociaalgeëngageerde intellectuelen die uit de hokjes willen stappen.

Alleen in de sociale groeperingen die niet mee (willen) doen met het moderniseringsproces, of die zich uit anticonformisme tegen het burgerlijk patroon verzetten, vindt men nog de vroegere situatie.

Bron:http://www.dbnl.org

Getagged , , , , ,

Slaapkledij door de eeuwen heen (I)

Foto: Pinterest

In de middeleeuwse herbergen was het gewoon dat men het bed met vreemden deelde. Men sliep naakt. In de 16de-17de eeuw verandert deze gewoonte heel geleidelijk. Een Poolse officier in Zweden vertelt terloops dat hij de kamer moet delen met twee meisjes die zich volledig ontkleden in zijn aanwezigheid alvorens naar bed te gaan. Een Franse generaal in Baden slaapt op een kamer waar twee naakte meisjes van 19 jaar in bed liggen (wright, Warm, p. 125).

Zo kunnen tientallen bewijsplaatsen worden aangevoerd waaruit blijkt dat het om een gewoonte gaat. In een der dialogen uit de Colloquia beschrijft Erasmus hoe men zich in de Duitse gasthoven uit- en aankleedde in het bijzijn van iedereen, ongeacht de sekse. Dan legde men zich naakt te bed. Zelfs in sommige kloosterorden was het naaktslapen de gewoonte. Dit gebruik was zo algemeen dat de persoon die in de zestiende eeuw zijn daghemd zou aangehouden hebben om naar bed te gaan, ervan verdacht werd een ziekte of een lichamelijke misvorming te hebben.

In De civilitate morum puerorum libellus van Erasmus (1526) is er geen sprake van nachtkledij, maar wel van het bedekt houden van het lichaam. Kinderen moeten bij het ontkleden en het in bed liggen met anderen ‘de schroomvalligheid indachtig zijn’ (memor verecundiae), d.i. het lichaam voldoende bedekt houden.

Foto: ebooks.adelaide.edu.au

Foto:commons.wikimedia.org

Men leert de naaktheid, ook wanneer zij functioneel verantwoord is, opmerken bij anderen en bij zichzelf. Van belang is ook de psychologische motivering van de beleefdheidsformule: door de aanblik van het eigen lichaam mag men de andere niet in verwarring brengen.

Een volgende fase in deze ontwikkeling is het dragen van een nachthemd. Marguerite de Navarre vermeldt als curiosum in haar Heptaméron (1559) slaapklederen voor vrouwen. In de zestiende eeuw krijgt deze luxe een zekere verspreiding in de toonaangevende standen.

 

Bron:http://www.dbnl.org

Getagged , , , , , , , ,

Van ganzenveer tot computer

foto: Jalta

Het begon met de ganzenveer. Daarna kwam de kroontjespen. De computer, de tablet en de Steve Jobs school waren nog verre toekomstmuziek

De geschiedenis van het Nederlandse onderwijs begon in de 8e eeuw toen de Frankische vorst Karel de Grote een wet uitvaardigde, waarin bepaald werd dat alle Frankische jongens moesten kunnen lezen, schrijven, zingen en bidden. In die periode ontstonden steeds meer kloosterscholen, gesticht door missionarissen uit Engeland, waaronder Willibrord en Bonifatius. Van uitgebreid onderwijs was nog geen sprake. In de 12e eeuw werd bepaald dat elke parochie een schoolmeester moest aanstellen. De door de parochie aangestelde schoolmeester was meestal de koster, die de jongens wat leerde lezen en schrijven. De schoolmeester was zeer streng en lijfstraffen waren toen heel ‘gewoon’.

In de 15e eeuw werden de parochiescholen steeds vaker overgenomen door de steden, die eigen scholen stichtten. In die periode gingen ook steeds meer meisjes naar school. De leerlingen kwamen vooral uit de stedelijke burgerij. Verder kregen kinderen van rijke en adelijke families dikwijls thuisonderwijs van gouvernantes.

Kinderen die tot een lagere klasse behoorden of op het platteland woonden, gingen toen nauwelijks naar school. Zij moesten hard werken; thuis, op het land of de boerderij, en voor school was geen geld. Kinderarbeid was toen heel ‘gewoon’ en gebruikelijk.

Van ganzenveer tot computer en tablet

In de Middeleeuwen leerden de leerlingen schrijven met ganzenveer en inkt. Daarvoor moesten zij goed kunnen lezen en spellen. Dat was zeker niet eenvoudig, want het schrijven met een ganzenveer en inkt diende secuur te gebeuren. De leerlingen leerden eerst schrijven op een wastafeltje.

Dit was een houten of metalen plaatje waarop een laagje was werd aangebracht. Met een stylus, een soort metalen pen, kerfde de leerlingen woorden in de waslaag. (Met een stylus schrijven wij tegenwoordig op een tablet)

Leren schrijven was duur en niet voor iedereen weggelegd. Aan het begin van de negentiende eeuw werd de ganzenveer vervangen door de kroontjespen. Schrijven met een kroontjespen was eenvoudiger. Schrijfles was voortaan een vast onderdeel van het Nederlandse onderwijs. Later werd de kroontjespen vervangen door een vulpen, potlood of balpen, en tegenwoordig steeds vaker door computer en tablet.

Bron: http://www.historien.nl

 

Getagged , , , , , , , , , , , , ,

een ouwe afgeleefde kerel, deel II

Eerst even een herhaling van de laatste alinea van Deel 1: Weet u nog wel het gaat om het lidmaatschap van de Provinciale Staten, bevochten door twee mannen.

De krant hoopte dat de kiezers het doel van de verkiezingen in het oog hielden door de bekwaamste en meest geschikte van het tweetal te kiezen. Een man dus van wie het meest verwacht mag worden.

En die man is niet de heer Van Dam. Hij is een afgeleefde ouwe kerel van zeventig. Vijfentwintig jaar woont hij in Amersfoort en nog nooit heeft hij enig blijk gegeven bekend te zijn met de aangelegenheden van de Stad en de Provincie. Hij was rechter en dat was dat. Voor de stad en het gewest waar hij woont heeft hij nooit iets gedaan. Hij stelt zich nooit naast maar altijd boven de burgers van de stad. Het lidmaatschap van de Staten wordt door hem alleen maar begeerd omdat hij dan een toch een goed betaalde baan heeft mocht de rechtbank gesloten (de Regtbank gesupprimeerd)worden of voor het geval hij met pensioen wordt gestuurd.’

De heer Van Strijen daarentegen is een gezonde jongeman van veertig jaar, die niet alleen door zijn beroep als notaris heel geschikt is om zitting te nemen in de Staten maar ook bewezen pal te staan voor zijn medeburgers.

Beide partijen hebben heftige tegenstanders:

Van Strijen is in de ogen van de Protestanten niet geschikt omdat hij neutraal is en van alle gezindten. Zij zien dat als een ernstig nadeel, dat zij overal rondbazuinen. Terwijl het neutraliteitsbeginsel voor iedereen geldt ook voor de heer Van Dam.

De heer Van Dam heeft de katholieke kerk om medewerking gevraagd. Met de opmerking dat hij dan wel protestant, maar liberaal is heeft hij om hun stem gebedeld.

Aan de protestanten schreef hij een brief dat hij een voorkeur heeft voor de Godsdienst van zijn Vaderen.

En dat van de heer van Dam, die nog nooit op enige godsdienst handeling of gedachte betrapt is, maar wel luid en duidelijk verklaard heeft dat godsdienst er alleen is om de ‘gemeene man’ in toom te houden.

De krant sluit tenslotte af met ten sterksten te moeten protesteren tegen de benoeming van de heer Van Dam tot lid van de Provinciale Staten.

 

Opmerking van de schrijfster:

Afijn, het is al eeuwen kommer en kwel in de politiek

Getagged , , , , , , ,

Een afgeleefde kerel van zeventig: Deel 1

Provinciale Staten 1

Het was oktober 1851 en de verkiezingen van Provinciale Staten Utrecht waren niet zonder strubbelingen verlopen. Er moesten herverkiezingen plaatsvinden omdat zich twee mannen voor een vacature kandidaat hadden gesteld.
Op 15 oktober moesten de Amersfoorters weer naar de stembus. De twee mannen op wie gestemd kon worden:

  1. de heer Van Dam van Isselt, president van de arrondissementsrechtbank in Amersfoort en
  2. de heer C.E. Van Strijen, notaris in Wijk bij Duurstede.

De Amersfoortsche Courant had over beide heren het nodige commentaar. Het leek de reporter beter die mening te ventileren voordat de verkiezingen plaatsvonden dan erna. Daarom trok hij in de kolommen van 14 oktober van leer:

De heer Van Dam meent recht te hebben op een stoel, die normaal gesproken toekomt aan de heer Van Strijen. De vrienden van Van Dam laten een circulaire in de stad verspreiden (een ‘briefje’ schrijft de krant) met opgave van redenen waarom de kiezers op Van Dam moeten stemmen en niet op Van Strijen. Het komt erop neer dat Amersfoort niet goed vertegenwoordigd is zonder Van Dam in het College.
Dat er dan vier vertegenwoordigers uit Amersfoort in het college zitting hebben en WijkbijDuurstede geheel en al uit de boot valt, zag Van Dam niet als een probleem.

Die Amersfoortsche voorstanders van de heer Van Dam verlangen dus dat een twaalfhonderdtal kiezers eene onbillijkheid plegen opdat zij hun zin krijgen!’ schrijft de krant nijdig.

De krant hoopte dat de kiezers het doel van de verkiezingen in het oog hielden door de bekwaamste en meest geschikte van het tweetal te kiezen. Een man dus van wie het meest verwacht mag worden:

En die man is niet de heer Van Dam. Hij, Van Dam,  is een afgeleefde ouwe kerel van zeventig. Vijfentwintig jaar woont hij in Amersfoort en nog nooit heeft hij enig blijk gegeven bekend te zijn met de aangelegenheden van de Stad en de Provincie. Hij was rechter en dat was genoeg vond hij. Voor de stad en het gewest waar hij woont heeft hij nooit iets gedaan. Hij stelt zich nooit naast maar altijd boven de burgers van de stad. Het lidmaatschap van de Staten wordt door hem alleen maar begeerd omdat hij dan een goed betaalde baan heeft mocht de rechtbank gesloten (de Regtbank gesupprimeerd) worden of voor het geval hij met pensioen moest.’

Getagged , , , , ,

Pokémon GO Safari

‘Al die Turken in het Amstelpark, ik kom er niet meer.’
Met een afkeurend gezicht duwt de vrouw de buggy met een donker kindje weg van de ingang haar Surinaamse echtgenoot trekt ze met zich mee.
Turken in het park? Ik kuier over de Rode Brug de tuin in en bewonder de bomen in beginnende herfstkleuren. Op het gras bij de Grote vijver picknicken modieuze hoofddoekjes. Voor mij op het pad duwen waggelende hoofddoekjes kinderwagens voort, giechelende hoofddoekjes vrijen met een vriendje, hoofddoekjes pakken een mand etenswaar uit op een kleed bij de Grote Vijver te midden van de familie met schreeuwende kinderen en ongeïnteresseerde mannen. Daar tussen welgedane autochtonen in korte broek met melkflessenbenen, moeder de vrouw in driekwart legging over een brede kont. Een stelletje languit in het gras, kauwend aan een sprietje.

Op de zaterdag dat ik weer naar het park ga is er geen doorkomen aan. Drommen jongeren, allemaal in spijkerbroek en donker jack alsof er een dresscode is afgesproken, geconcentreerd typend op hun gsm’etje. Ouderen, vers aangevoerd uit de provincie, een matrone op welness schoeisel, pa in een terlenka broek, hun corpulente billen geplet op een stenen muurtje driftig tikkend op hun gsm, kijken op noch om. De mensenmassa om hen heen probeert zich zwijgend een weg te banen naar, ja naar wat? Naar duiveltjes in de Japanse Tuin? De schoonheid van een park in herfsttinten ontgaat ze.
Op de Rode Brug staat het vast, er is geen doorkomen aan. De massa kijkt devoot op z’n gsm. Er wordt niet gepraat, er heerst een gewijde sfeer zoals in een kerk. Het is vredig, maar te druk, te erg, te benauwd, teveel te.
Via de hoofdingang kan ik alsnog mijn bestemming bereiken.
Geen Turk gezien. Wel heel veel Pokémon monstertjes

Getagged , , , , ,

De geschiedenis van de vibrator

Foto komt van youtube:
‘The uploader has not made this video available in your country.’ was de mededeling die er bij stond.

VPRO cinema vertoonde in 2011 een film over de geschiedenis van de vibrator.

Hieronder enige historische informatie.

Masserende artsen

In de 19e eeuw kwam Freud tot de conclusie dat de aan hysterie lijdende vrouw seksueel onbevredigd zou zijn. De ziekte kwam dan ook opvallend veel voor bij weduwen, nonnen en vrijgezelle vrouwen. Vrouwen die leden aan hysterie zouden te veel ‘opgehoopt zaad’ hebben wat zij niet konden lozen door gebrek aan (goede) seksuele contacten. Oftewel, zij was seksueel gefrustreerd.

Hoewel hysterie als chronische aandoening gezien werd was het goed te behandelen met een zogenaamde bekkenbodemmassage. Het masseren van de genitaliën was alleen toegestaan wanneer een dokter dit deed. Masturbatie bij zowel man als vrouw werd als onrein en zelfs als gevaarlijk gezien. Je zou er zelfs blind van kunnen worden. Een behandeling door de arts was pas succesvol als het resulteerde in een ‘hysterisch paroxisme’: een orgasme. Deze behandeling beschouwden artsen als zuiver medisch en zonder seksuele lading.

Volgens 19e-eeuwse doktoren leed ongeveer een kwart van alle vrouwen aan hysterie. De lijst van symptomen werd oneindig: zo zou jeuk aan je grote teen al een gevolg van hysterie kunnen zijn. Hysterie werd een modeziekte waar artsen flink van profiteerden.

Doordat de vrouwen steeds moesten terugkomen voor massagebehandelingen zaten de wachtkamers van huisartsen altijd vol, wat uiteraard tot gunstige financiële resultaten leidde.

Muisarm avant la lettre

Dat het masseren van deze hordes hysterische vrouwen zwaar werk was, moest zeker niet onderschat worden. Artsen kregen te maken met spierpijn, gewrichtspijn, krampen in hun vingers en bovendien kostte het ze behoorlijk wat tijd. Ze begonnen daarom massaal te experimenteren met opwindsystemen en waterstralen om de arbeid te verlichten. Maar het werd hoog tijd voor een elektronisch apparaat.

Hoewel er al meerdere exemplaren in omloop waren mag de Engelse dokter Joseph Mortimer Granville zich uitvinder van de eerste vibrator noemen. Hij vroeg in 1880 patent aan op de manipulator, voorloper van de vibrator, welke hij liefkozend tot ‘Granville’s Hammer’ had gedoopt. Zijn verhaal en dat van zijn revolutionaire uitvinding wordt verteld in de eerder genoemde historische komedie Hysteria.

De manipulator was de oplossing voor de overbelaste vingers van de huisarts en bovendien scheelde het behoorlijk in tijd. De manipulator bracht de vrouw namelijk vele keren sneller tot een hysterisch paroxisme dan de dokter handmatig ooit zou kunnen. De behandeling werd razend populair en kon zelfs worden verkregen in luxueuze kuuroorden in Europa en Canada.

Van doktersattribuut naar de slaapkamer

De term hysterie werd in 1952 de das omgedaan en daarmee stierf ook haar spraakmakende behandelmethode. De vibrator dook al snel op in pornofilms, waarvan het kijken destijds nog een taboe was. De vibrator kreeg hierdoor al snel een achterbuurtreputatie en verloor zijn populariteit. Pas na de seksuele revolutie in de jaren 70 maakte de vibrator een comeback, maar na de seksuele emancipatie in de jaren 80 kwam de vibrator definitief weer uit de taboesfeer.

Vandaag de dag is de vibrator een populair seksspeeltje wat men gewoon koopt in de P.C.Hooftstraat. Minstens 52 procent van de vrouwen schijnt minimaal één exemplaar in huis schijnt te hebben. Waar een vreemde ziekte al niet tot toe kan leiden..

 

Getagged , , , , , , ,

Hoe de aardappel volksvoedsel kon worden

 

Onze aardappel is afkomstig uit Peru. De Spanjaarden ontdekten de knol toen ze al rovend en plunderend door Peru en Chili trokken. Vanuit Spanje verspreidde de aardappel zich via de botanische tuinen van monniken en kloosterorden over Europa.

Diverse geleerden waren enthousiast over het product, want de knollen groeiden vrijwel in elk klimaat, konden gemakkelijk worden verbouwd en waren zeer voedzaam. Dit zou dé oplossing kunnen zijn voor de vele hongersnoden die destijds Europa teisterden. Vele Europese heersers probeerden de aardappelteelt dan ook in hun gebied te bevorderen. Dit ging niet gemakkelijk: de mensen vonden het een smakeloos product dat er raar uitzag met al die uitsteeksels, helemaal nergens naar rook en waarvan de stengels en bladeren ook nog eens giftig waren. Door velen werd het afgedaan als varkensvoer of als voedsel voor de allerarmsten.

En zo geschiedde, de allerarmsten aten aardappelen tot ze er een opgezette buik van kregen: aardappelen met azijn, aardappelen met mosterd, aardappelen rauw. Op feestdagen kwam er aardappel met vet op tafel. Wevers behoorden tot de allerarmsten, zij aten veelal aardappelen.

In de 19de eeuw werd de aardappel aangetast door een schimmel. Zo brak er alsnog hongersnood uit in Ierland en Nederland met name in Noord Brabant en Zeeland. Veel mensen vluchtten voor de bittere armoede en vertrokken naar Amerika

Persoonlijk ben ik geen fan van de aardappel. De aardappel is familie van de nachtschade, de naam zegt het al: Schade. Geef mij maar pastinaak, de witte wortel. De pastinaak was vanaf de middeleeuwen volksvoedsel waarna zij werd vervangen door de aardappel.

De witte wortel heeft een lichte anijssmaak. Het smaakt verrukkelijk in de soep en in de stamppot. Soms bak ik de schijfjes en dien ze op met vlees. Een scheutje madeira over de schijfjes en je hebt een heerlijk gerecht.

 

Bronnen: wikipedia, geschiedenis.nl

Getagged , , , , , , , , ,