Categorie archief: geschiedenis

Het moet voor zichzelf spreken

Ik nam een vroege trein en kwam tegen het middaguur aan. Het festivalterrein was vlakbij het station. Bij de ingang was het niet druk, ik kon zo doorlopen en viel direct in de muziek van een paar hoeden. Een vrouw in een lange rok draaide rondjes.

Op het terrein zelf was het rustig. Er waren nog geen optredens.

Langzaam druppelden de bezoekers binnen en begonnen de optredens met een line-up (ja je leest het goed, ik ga met de Engelse tijd mee)van artiesten van ver buiten de eigen landsgrenzen.

Een kleine greep uit de internationale toppers: Bosnische sevdah zangeres Amira Medunjanin, urban folk van Haydamaky, zigeunerfanfare Orkestar Kadrievi uit Macedonië, Servische Bako Jovanović Orchester en Bohemian Betyars met hun speed-folk-freak-punk.

Daarnaast Roma Mirando, the Basily Family waar ik een fan van ben.

Ik schoot Lalla Weiss aan voor een gesprekje. Ik wilde met haar praten over eventuele familiebanden tenslotte spraken mijn vader en zijn broers bij voorkeur tijdens het avondeten over hun moeder die een zigeunerin, een gipsy om in het Engels te blijven, zou zijn. Zo zeiden ze het en voegden daar nog aan toe, dat ze marketentster was en met de Tros* meetrok.

Het woord zigeunerin is tegenwoordig verboden net zoals neger en meer van dat soort woorden, gipsy mag wel geloof ik. Maar goed mijn vader en zijn broers hadden van dit verbod nog nooit gehoord en het ging tenslotte over hun eigen afkomst.

Terug naar Lalla Weiss. Ik schoot haar aan en slaagde erin een afspraak te maken. Bij die afspraak is het gebleven, ze had vele uitvluchten waarvan er een was dat ze geld vroeg voor het gesprek. Toen ook dat mij niet deed afhaken trad er radiostilte in.

Verder ben ik nooit gekomen. Er hangt een grijze nevel over mijn roots. In mijn roman spreek ik dus niet over zigeuners, Roma en Sinti. Het verhaal moet voor zichzelf spreken.

 

*De Tros, een civiele stoet binnen het leger, bestaande uit een enorm groot aantal mensen, lastdieren en wagens.

Getagged , , , , , , , , ,

BEAM ME UP SCOTTY

foto: Heuvelstraat 1880 Regionaal archief Tilburg

Terug naar Tilburg en Amersfoort in de 19e eeuw

In 180 jaar verandert er het een en ander in een stad maar in Tilburg had de de tijd een zwart gat geslagen in de geschiedenis. Er was in mijn gevoel weinig over van het oude centrum. Meek woonde op Heuvel. Op het Heuvelplein kneep ik mijn ogen half dicht en probeerde mijn voorstellingsvermogen twee eeuwen terug te sturen. Tevergeefs. Ook toen ik ‘beam me up Scotty’ mompelde gebeurde er weinig. Scotty was er niet of had het te druk. Zonder zijn hulp lukte het mij niet een 19e eeuws beeld van Heuvel te krijgen.

Tilburg, de stad waar mijn roman begint en Meek, de hoofdpersoon woont en werkt. Om iets van de geest van de 19e eeuw terug te vinden en de sfeer te proeven ben ik naar die stad afgereisd.
Omdat ik geen beeld kan krijgen duik ik de archieven in. Uit ‘Het geheugen van Tilburg: https://www.geheugenvantilburg.nl/page/14346/ verneem ik dat Heuvel en de Markt beide wat hoger liggen dan overig Tilburg. Er was ook vroeger net als nu trouwens nogal wat bewoning. Men had daar minder last van het water. De Heuvelstraat vormde toen net als nu de verbindingsweg tussen Heuvel en Markt. Het Piusplein was vol waterplassen, en “Het Ven”, zoals het toen heette, had in de 19e eeuw nog twee vennen.

Tot in de 19e eeuw bleef de Heuvelweg in de volksmond Steenwech of Steenweg. De naam Heuvelstraat werd in 1865 voor het eerst schriftelijk gebruikt.

In het regionaal archief vond ik een foto van de Heuvelstraat uit 1880. Verder terug gaat het niet zonder hulp van de beamer van Scotty.

Getagged , , , , , , , , ,

Van Gogh en de waarheid van het leven

Voor mijn roman deed ik onder andere onderzoek naar het leven van alledag van de wever in Brabant.
Zo kwam ik terecht bij Van Gogh. Dat was een leuke ontdekking. Hij beschouwt wevers als deel van ´het volk´dat hij graag schilderen wil.
‘Ik ben zeer druk werkende aan een serie koppen uit het volk…´schrijft hij in een van zijn brieven.
Kunstenaars van de oude Hollandse school verwijt hij dat ze nooit ´een arbeider´hebben gemaakt.

Van Gogh komt uit zijn brieven naar voren als iemand die grote waardering voor de armen heeft. Soms gaat hij zover hen deugden of inzichten toe te schrijven die de wijzen van deze wereld niet zouden bezitten maar over het algemeen heeft hij juist oog voor de eenvoudige, onaanzienlijke en lelijke of zelfs sombere kanten van hun bestaan. Dat vormt voor hem de werkelijkheid en hij mag deze graag stellen tegenover de zogenaamde beschaving die hij als een vorm van misleiding beschouwt. Een boerenmeisje ziet hij het liefst in een alledaags jak. Trekt ze een damespak aan dan is het echte eraf.

Hoe verder weg van de beschaafde wereld, hoe ‘echter´het is en daarom trekt Van Gogh vaak over de hei om er de allerarmste hutten te schetsen. In steden zoekt hij bij voorkeur de grauwste of armzaligste achterbuurt uit.
‘Het is daar wel somber maar men verveelt er zich nooit.’
Zijn eigen huishouden vergelijkt hij niet zonder trots met een arbeidersbestaan. Kortom: de waarheid van het leven moet niet bij de rijken en de beschaafden maar bij het gewone volk worden gezocht.

Bron: De wevers en Vincent van Gogh, samengesteling en redactie:Van den Brink en Frijhoff

Getagged , , , ,

‘Mijn vader heeft in het jappenkamp gezeten…’

jappenkamp1

Foto:nl.clipart.com

‘Mijn vader heeft in een jappenkamp gezeten en toch mag ik geen feest meer geven.’

Het gladde gezichtje van de Chinese man voor me  kreukelt ineen als een papieren hoedje in de regen.

‘Ik ben bij de politie geweest en zij zeggen dat het wel mag.’

De man vertegenwoordigt een Christelijk Indische geloofsgemeenschap die vrijwel wekelijk een bijeenkomst houdt met luid gezang en muziek aangestuwd door een geavanceerde geluidsinstallatie. De muren van de zaal waar het samenzijn wordt gehouden zijn neergezet in de jaren zestig van de 20e eeuw en niet bestand tegen zoveel kabaal.

De man komt vlakbij me staan,  zijn bovenlijf buigt, zijn benen vouwen zich, zijn gezichtje rimpelt alsof de wind eroverheen trekt, de donkere ogen spuwen vuur en knijpen samen, zijn arm komt omhoog.

Ik wijk, hij trekt zijn arm terug.

‘En jij, jij klaagt! Ik woon hier al vijftien jaar dus mag ik feestjes geven.’

Ik klaag, dat is correct.  Ik woon vlak naast de zaal en ik ben van mening dat vijftien jaar ergens wonen en een vader in een jappenkamp geen redenen zijn om de regels van het Huishoudelijk Reglement te overtreden waarin specifiek staat dat bewoners rekening moeten houden met medebewoners en geen overlast mogen veroorzaken. Bovendien heeft mijn tante ook in een jappenkamp gezeten. Zij is er gestorven. Ik ben naar haar genoemd, maar ik houd me in, wil de zaak niet op de spits drijven.

‘Niet als er te harde muziek en te veel herrie wordt gemaakt,’ antwoord ik, ‘ik heb ook rechten als bewoner.’

‘Er is geen harde muziek, ik ben bij de politie geweest en….’

Wat hij verder brabbelt wordt onverstaanbaar.

‘Jij klaagt en klaagt altijd. Wij zijn een christelijke partij en komen bij elkaar. Mijn vader heeft in een jappenkamp gezeten en daarom…’

‘Het is afgelopen met uw feestjes, u bent voldoende gewaarschuwd.’

De benen vouwen, het bovenlijf buigt, het gezichtje nadert mijn buik  alsof hij wil kopstoten, de zwarte ogen spatten vonken, zijn hand komt omhoog en suist langs mijn gezicht.

Dan deinst hij achteruit en pruttelt:

‘En toch en toch en toch, mijn vader zat in een jappenkamp en van de politie mag het.’

Getagged , , , , , , , , , ,

Vertel eens over je dienstje

 

Na afloop van de wandeling kwamen we altijd uit bij mijn grootouders. Gromy zat ineengedoken op haar stoeltje voor het raam. Dekens en lappen lagen slordig op de grond, het aanrecht was rommelig. Ik zat op mijn krukje naast pa en gropy.  De deur naar de tuin stond open. Een windvlaag bracht de geur van kruiden naar binnen.

‘Heeft dat kind haar tong verloren?’ vroeg gromy

‘Daarnet praatte ze nog voluit,’ zei pa, ‘ga eens bij je grootmoeder zitten en vertel over je dienstje.’

Hij draaide zich tot gromy,

‘Ze spreekt Frans met de kinderen van de familie waar ze werkt. Daarom is ze er aangenomen.’

Nou ja Frans? Dat gestoethaspel van mij, dacht ik.

Pa ging wat rechter zitten, knikte naar gromy en trok aan zijn pijp. Mijn gezicht werd warm, de warmte zakte naar mijn hals. Ik hield mijn hand tegen mijn nek.

‘Dat weet gromy toch allang.’

‘Ja,’ kraakte gromy, ‘maar kom eens naast mij zitten en vertel eens. Je komt niet meer mee met je moeder, ik heb je al zolang niet gezien.’

Was gromy niet boos? Door een spleetje van mijn ogen zag ik dat ze naar mij keek, haar zwarte ogen vraten haar hele gezicht op, dat kleiner was dan ik me herinnerde. Ze knikte.

‘Willem pak dat krukje en breng dat kind naar mij toe, uit zichzelf wil ze me niet zien.’

Ze pakte de schelp op, legde hem op haar schoot en wees naast haar. Mijn gezicht en hals moesten donkerrood zijn zo warm had ik het ineens. Ik deed mijn ogen open, haar koolzwarte ogen zogen mij naar binnen. Nee, ik hoefde niet bang te zijn en nee, ze was niet boos, ze was tevreden. Ik zakte neer op het krukje en vertelde.

Getagged , , , , , ,

Vrouw Moeder

 

 

’s Avonds aan tafel praatte mijn vader als hij goede zin had met brede armgebaren over het leven van zijn Vrouw Moeder, een zigeunerin. Het laatste woord is net als vele andere woorden op het taboelijstje gezet door de politiek correcten. Ik durf ze niet eens op te schrijven uit angst donder en bliksem over mij afgeroepen te krijgen, maar dat mijn grootmama Fransje een zigeunerin was mag ik wel opschrijven want het gaat over mijn grootmama dus mijn zigeunerin.

Zij trok mee als marketentster in vele oorlogen, ze legde de tarotkaart, ze was vrolijk en nonchalant, een heerlijke eigenschap, ze was donker en klein, niet groter dan 1m50 en ze kreeg zeven kinderen met zwart krulhaar haar en blauwe ogen.

Is Fransje werkelijk met haar ouders in oorlogen meegetrokken zoals mijn vader en zijn familie beweerden? Welke dan? Zij is geboren in 1869. Welke oorlogen woedden er toen in Europa: er was de Frans-Duitse oorlog Napoleon III liet hier en daar nog wel eens wat wapens kletteren en in Amerika woedde bij haar geboorte een oorlog, maar ging ze daarheen met haar ouders? En als zij niet de marketentster was over wie mijn vader en zijn broers vertelden wie trok dan wel mee in de tros*? Haar moeder, Hendrika? Of nog verder weg in de 18e eeuw.

Lees straks in mijn roman de zoektocht die teruggaat tot 1815 over het leven van een eenvoudig meisje dat haar hoofd boven water moet zien te houden in een tijd zonder sociale vangnetten.

*)Bij een tros ging het om een civiele stoet binnen het leger, bestaande uit een enorm groot aantal mensen, lastdieren en wagens.

Getagged , , , , , , , , , , ,

OLIELAMPEN GEVEN OOK LICHT-1906 (fragment uit mijn roman)

Vrouw met olielamp

Voortaan ging ik vrijwel iedere dag naar Willem. Zijn ziekte betekende dat er geen geld meer binnenkwam, daarom moest Marie, zijn vrouw, op zoek naar werk, dat ze vond op de grachten: iedere dag een werkhuis.

Als de zon maar één zonnestraal naar het plaatsje stuurde pakte Willem een stoel, zette die buiten en bleef zitten tot de zon naar het westen verdween en het te koud werd. Naarmate november vorderde werd de zon bleker, maar dat deerde hem niet, hij ging buiten zitten.

Bij donker werd kwam hij naar binnen. Dan stak ik de lamp aan en voerde het kacheltje cokes.

‘We moeten zuinig zijn,’ zei Marie als ze het zag, ‘petroleum is zo duur en de cokes zijn bijna op.’

‘Ik betaal,’ zei ik.

Morgen moest ik Ger, mijn man, maar voorzichtig vragen om voor cokes te zorgen en om geld voor petroleum. Hij zou wel weer mopperen over de verkwisting van die nieuwerwetse petroleumlampen.

‘Olielampen geven toch ook licht en zijn veel goedkoper.’

Als ik klaar was met redderen ging ik naast Willem zitten en hield zijn benige hand stevig in de mijne, als om te verhinderen dat hij ons zou verlaten. Hij probeerde nog steeds vrolijk te zijn wanneer hij mij zag, grapjes te maken en verhalen te vertellen. Dan raakte hij buiten adem en viel naar adem snakkend achterover in zijn stoel.

‘Stil toch Willem.’

Ik streek met een grote zakdoek over zijn gezicht dat nat was van het zweet.

Getagged , , , , , , , , , ,

Huispersoneel in de 19e eeuw

Dienstmeisje met dienblad, serveert drankjes
Ein Schokoladenmadchen Foto; de.wikipedia.org

 

Heerlijk een gedienstige die alles voor je doet, al je rommel achter je gat opruimt en schoonmaakt en poetst waar jij een hekel aan hebt.

Om die gedachten enigszins te relativeren hieronder een stukje over het houden van dienstbodes in de 19e eeuw.

Dat huispersoneel vanzelf sprak, betekende nog niet dat alles koek en ei was. ‘Onze gedienstigen zijn niet meer wat ze vroeger waren,’ klaagt de schrijfster van een etiquetteboek uit 1893. Haar stem maakt deel uit van een voortdurende klaagzang, een litanie zonder eind over het ‘leed dat dienstbode heet’ die teruggaat tot Noach en doorgaat tot het hele verschijnsel is verdwenen.

De meid is niet eerlijk of niet stipt genoeg, is brutaal of zit met haar vrijer in de keuken, zij poetst het zilver niet goed of zij eet te veel, zij kleedt zich verkeerd of leert de kinderen vieze woorden, kortom, met de meid is (bijna) altijd wat. Veel huishoudens zien dan ook een schrikbarend snelle opeenvolging van gedienstigen, elke drie maanden wel. Drie maanden is een voor de hand liggende periode omdat in veel streken vanouds ééns in de drie maanden (op 1 mei, 1 augustus, 1 november en 1 februari) betaald werd. Benijdenswaardig waren dames die, zoals mevrouw Ceurigh, een ‘oude getrouwe’ hadden, liefst een die reeds in de tweede generatie aan de familie verbonden was. Knapper nog was het als een huisvrouw het vermogen bezat om goed personeel te kiezen en dat lang bij zich te houden, to keep staff, zoals de Engelsen zeggen. Wie dat kon, was van de helft van alle huiselijke zorgen al bevrijd.

Want het gouden tijdperk, waarin de meisjes talrijk en dienstwillig waren (en nooit weggingen tot zij eruit werden gezet), heeft natuurlijk nooit bestaan.

Bron: https://www.dbnl.org/tekst/mont023leve01_01/mont023leve01_01_0009.php

Getagged , , , , , , , , ,

Een Russisch Ereveld

russische erebegraafpl

Afgelopen weekend was ik in Amersfoort/Leusden. Daar waar mijn jeugd ligt. Je komt dan terug in regionen die allerlei herinneringen oproepen. De Russische begraafplaats bijvoorbeeld.

Naast de begraafplaats Rusthof bevindt zich de Russische begraafplaats. Wij,  liepen daar vroeger met mijn vader  die mijn zusje en mij die vrolijk snaterden, maande stil te zijn en met respect de begraafplaats te naderen.

Mijn moeder wist nog van de aankomst van de Russen op het station in Amersfoort. Ze zag ze het stationsgebouw uitkomen: haveloos en op blote voeten.

Hieronder een verslag:

In september 1941 kwamen op de vee-losplaats bij station Amersfoort 101 krijgsgevangenen aan uit Centraal-Azië, vermoedelijk hoofdzakelijk uit Oezbekistan. Ze waren gevangen genomen aan het Oostfront, niet lang na de Duitse inval in de Sovjet-Unie. De soldaten waren in lompen gehuld en na een lange treinreis oogden ze desolaat, vies en hongerig. De Duitsers beschouwden deze Aziatische bolsjewisten als Untermenschen en hebben hen als zodanig behandeld. De Amersfoortse bevolking toonde vooral medelijden.

Ook tijdens hun verblijf in Kamp Amersfoort werden de Russen, zoals ze werden genoemd, beestachtig behandeld. Binnen een halfjaar overleden 24 van hen aan honger, ziekte en mishandeling. De kamparts plaatste twee van hun schedels als curiosa in zijn werkkamer.

Op 9 april 1942 werden de overgebleven 77 gefusilleerd. Het zou de op één na grootste massa-executie in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog blijken te zijn. Op de plaats van de executie is een monument opgericht, waar de Stichting Russisch Ereveld sinds 2012 jaarlijks een herdenking houdt.Na de oorlog werden hun stoffelijke overschotten herbegraven op Rusthof. Langzaamaan raakten ze daar in de vergetelheid. Hun namen zijn nooit bekend geworden.

Journalist Remco Reiding woonde in de buurt van de begraafplaats en verbaasde zich erover dat er nooit nabestaanden langskwamen. Hij besloot een onderzoek in te stellen naar de Russische nabestaanden. In 1998 volgde zijn eerste reis naar de voormalige Sovjet-Unie. Op 22 april 2000 publiceerde hij zijn bevindingen in de Amersfoortse Courant. Bovendien was nu duidelijk dat vijftig Russische soldaten in Duitse dienst waren toen zij omkwamen, en al die jaren als geallieerden waren geëerd en herdacht. Veertien anonieme graven kregen een naam, en 150 families van slachtoffers werden gevonden. In 2000 waren Dimitri en Pjotr Botenko de eerste nabestaanden die op de hoogte gebracht werden waar het graf van hun vader Vladimir Botenko was.

In april 2012 verscheen over de onderzoekingen boek “Kind van een Ereveld”.

Bronnen:

https://russisch-ereveld.nl/het-ereveld/

https://nl.wikipedia.org/wiki/Russisch_ereveld_Leusden

Getagged , , , , , , , , , , , , ,