De vrouw in de gekleurde rok I (herzien)

‘De Poort is een stadspoort en een waterpoort tegelijk en regelt de waterhuishouding van de stad,’ vertelde pa.
Op zondagmiddagen als al het werk gedaan was en ma ging rusten nam pa ons, Sara mijn zus, broer Willem en mij mee. We gingen voorbij de rivier, over het Spui, langs de resten van wat ooit de oliemolen was. Hij was helemaal bol van boven, je zag nog de littekens waar zijn wieken hadden gezeten. Hij moet dezelfde pijn gevoeld hebben als een hooiwagen bij wie poot voor poot wordt uitgetrokken.
‘Dat is De Zon, de oliemolen, hij maalde vroeger zaden tot olie, hij staat hier zeker al meer dan honderd jaar.’
‘Wanneer hebben ze die wieken eraf gehaald?’ vroeg Sara, die alles altijd nauwkeurig wilde weten.
‘Zo’n tien jaar geleden.’
‘Dus ergens 1870?’
‘Zoiets,’ zei pa.
‘Wat gebeurt er nu met de molen, pa? Geven ze hem zijn wieken weer terug?’
‘Ze gaan hem afbreken.’
Dat zou hem vast erg pijn hebben gedaan dat weghalen van die wieken, dacht ik en keek nog eens goed naar de geknotte Zon. Daarom zag ik de vrouw niet die de hoek om kwam. Toen ik pa hoorde praten draaide ik me om en zag de vrouw weglopen. Het was de vrouw in de gekleurde rok die vaak door onze straat liep en verwensingen riep naar ma als ze haar zag. Ze was alleen, het meisje was er niet
‘Wie is dat pa?’ vroeg ik.
‘Niemand,’ zei pa.

We wandelden naar huis waar Ma de thee klaar had. Na de thee gingen Sara en ik de groenten- en kruidentuin verzorgen. Het was een kleine tuin, maar vroeg veel onderhoud. Achter in de schuur vonden we onze tuinspullen tussen het gereedschap van pa. Ik vond het prettig om de plantjes te controleren op ongedierte en water te geven. Daarvoor gingen wij twee naar de pomp bij de rivier en vulden een emmer met water. Heel voorzichtig begoot ik de plantjes, er moest immers water overblijven voor het stilletje. Schoonmaken van het gemak daar had ik een hekel aan, dat liet ik aan mijn zus over.
Sara was stukken ouder dan ik. Zij hield ervan om grote stenen om te keren. Dat veroorzaakte chaos bij de bewoners die eronder woonden. Torren, pissebedden en spinnen renden kriskras door elkaar heen op zoek naar een goed heenkomen. Tussen die insecten holden ook wel hooiwagens. Sara pakte er een bij zijn poot, hield hem omhoog en trok dan langzaam alle andere poten uit. Als ze daarmee klaar was legde ze het zwarte dropje met z’n ene poot terug op de steen en trok die laatste poot uit. Het stipje lag stuiptrekkend op de kei. Hoewel nauwelijks zichtbaar zag ik hem. Ik wilde me omdraaien en wegrennen. Sara pakte me beet, zij was groter en sterker en hield me vast.

Tijdens het tuinieren kwamen er heerlijke geuren uit de keuken. Dat maakte hongerig. Snel hielden we onze handen onder het laatste restje water en renden naar binnen.
De tafel stond tegen de muur en omdat het donker was in de kamer brandde de olielamp. Op zondagen aten we, als er genoeg geld was, restvlees dat ma op de markt kocht. Ze hakte het en draaide er gehaktballen van. Dat was zo lekker met aardappelen uit onze tuin en jus, een feestmaal. Ma schepte op, ik vroeg om veel jus.
‘Het kan wel op al is het lekker,’ zei ma.
Pa en Willem kregen het meest. Afgunstig keek ik naar de drie ballen op hun bord. Sara en ik hadden er elk maar een. Ik hield het vlees zolang mogelijk in mijn mond voordat ik het doorslikte. Het was sappig en smaakte naar de kruiden, die ma erin deed en een beetje naar de geur, die uit het nieuwe grutterswinkeltje op de hoek kwam als de deur openging.
‘Schiet toch eens op,’ zei ma, ‘jij altijd met je getreuzel.’
‘We hebben die vrouw gezien die altijd door onze straat loopt. U weet wel de vrouw in de gekleurde rok’ zei Sara, ‘Pa praatte met haar.’
‘Het meisje was er niet,’ zei ik.
‘Dooreten.’ was al wat ma zei. Pa gromde iets.