Aan de Amsterdamse grachten(een kort streekverhaal)

Amsterdamse grachten
Gètver, staat er weer een fiets voor de deur. Maud geeft een trap tegen het vehikel, zodat hij midden op straat belandt en in zijn val nog een paar rijwielen meesleurt. Goed zo, dat zal die lui leren hun karretje met krat midden op de stoep te parkeren! Ze zwaait breed haar boodschappentas en loopt in zichzelf lachend de paar straatjes naar haar stamkroeg. Eerst even een glaasje om dan gesterkt aan de dagelijkse boodschappen te beginnen. De winkel die levensmiddelen verkoopt is kilometers verderop. Op haar weg passeert ze een groepje zingende Britten in korte broek en met blote armen. Die zitten straks vast op een bierfiets, wedden!
Na vijf minuten komt het terras van het café in zicht, ze hoopt dat Daan er is en nog een paar andere vrienden. Rita heeft ook beloofd te komen, altijd gezellig tijdens Happy Hour.
Als Maud het leren gordijn voor de ingang wegduwt komt geroezemoes en een dikke warmte haar tegemoet. Haar vrienden staan bij elkaar aan het einde van de bar.
‘Wijntje Maud’ vraagt de barman zodra hij haar in het oog krijgt. Maud strijkt haar blonde pieken recht en knikt instemmend. Hij reikt haar het glas direct aan. Goeie barkeepers werken hier toch, denkt Maud en sipt tevreden aan haar glas waarop een felrode afdruk van haar lipstick achterblijft.
Die Happy Hour is killing’, klaagt Daan, een vaste klant. Hij houdt zijn buik vast waarmee hij aangeeft dat al het bier dat hij naar binnen laat glijden de omvang van zijn lijf geweldig doet toenemen.
‘Waarom laat die kerel, die eigenaar, dit soort kerstversiering ophangen in deze kroeg, dat past hier toch helemaal niet, het is en blijft een plebejer’, Rita kijkt geringschattend naar de groene twijgen aan de bruine balken. Een paar monsterlijk grote zilveren ballen aan rode linten vallen behoorlijk uit de toon.
‘Die Happy Hour, dat is dan weer een goed idee’, zegt Daan vergenoegd, ‘maar
het is en blijft een scharrelaar. Laat hij in Groningen blijven, die provinciaal, het hele platteland staat hier tegenwoordig te hijsen, de tent staat bomvol plattelanders, die allemaal zoete wijn drinken, is het niet?’ hij draait zich naar de barman die hem een vers biertje geeft.
‘Nou ja, de vaste klanten blijven wel komen’, de man balanceert handig een blad vol glazen bier boven de hoofden van de jolige drinkers, ondanks dat slaagt hij er in antwoord te geven op vragen en opmerkingen.
‘Hé Maud wat vind jij van die kerel uit Groningen?’, Daan loopt naar haar toe.
‘Nou ja….,’ begint Maud als de deur opengaat en Cesca binnenkomt.
‘Wat vind jij van die kerstversiering Cesca?’, dreint Daan, die Maud onmiddellijk vergeet en naar Cesca toeloopt.
Zo gaat het nou altijd denkt Maud en trekt nijdig aan haar korte rokje, altijd weer die Cesca.
‘Eerst mijn jas’, snauwt Cesca, zij loopt Daan voorbij en wenkt de barkeeper, die meteen toesnelt. Zij overhandigt hem haar tas, ontdoet zich omstandig van haar jas en neemt de witte wijn aan die haar wordt overhandigd.
‘Hoe gaat het met je Cesca?’, vraagt Maud.
‘Daar hoef ik toch geen antwoord op te geven hè’, Cesca draait haar demonstratief de rug toe.
Rita aait Maud over haar rug,
‘Niks van aan trekken, waarom praat je eigenlijk nog met haar?’

Cesca staat in het midden van het clubje vrinden en voert het hoogste woord. Haar zwarte, vette haar sliert om haar hoofd dat voortdurend van links naar rechts beweegt, afhankelijk van de positie van haar gesprekspartner.
‘Daan’, had jij het niet over de nieuwe eigenaar van dit zo bijzonder aangename etablissement?’, de zwarte slierten zwaaien richting Daan.
‘Ja, dat het een scharrelaar is en dat hij moet oprotten met z’n boeren’, Daan veegt met een hand over een vlek op zijn trui.
‘Misschien dat die BN’er nog even komt, hoe heet hij ook alweer Martin’, Cesca draait haar glas rond en neemt voorzichtig een slokje, ‘Daan, hou op met dat geveeg, dat is hopeloos die trui zit onder de vlekken’.
‘He Cesca, mag je alweer aan de wijn?’
Een roodharige vrouw komt luidruchtig binnen, zet haar muts af en wendt zich tot Cesca,
‘Vorige week dronk je nog water’.
Maud en Rita slaan het schouwspel gade en nemen nog een glas wijn.
‘Ja,’ zegt Cesca in antwoord op de roodharige vrouw, ‘ik heb nu een magnetiseur gevonden. Een man die werkt met elektriciteit, dat heeft een wonderbaarlijk effect. Die artsen zullen opkijken, ik ben nog lang niet dood. Volgens hen had ik allààààng dood moeten zijn’.
‘Ah ja, die artsen, die weten ook niets’.
De kring om Cesca krijgt steeds minder ruimte. De gasten stromen binnen en nemen hun plaats in met luide gesprekken en brede armzwaaien. Maud en Rita bevinden zich daar tussen. Maud praat veel en opent daarbij wijd haar mond, op haar tanden zit rode lipstick. Rita lacht schel en slaat haar hand met de lange roodgelakte vingernagels op de arm en schouder van de man naast haar.
‘Weet je wat het mens, die arts, tegen me zei, Cesca kijkt nijdig achterom naar een klant die bij een heel breed armgebaar stevig in haar rug port, ‘Mevrouw’ zei ze, ‘U heeft nog twee weken, het is hopeloos, er is niets meer aan te doen’ en kijk nou eens, ik leef nog steeds en hoe!’
‘Hoe durft ze’, roepen de vrienden in koor.
Vier je je verjaardag nog Cesca en zijn we allemaal genodigd?’
‘Jazeker, behalve Maud, dat ordinaire mens, moet je kijken met wie ze nu weer staat te praten. Die wil ik niet op mijn verjaarsfeest. Het is misschien wel mijn laatste en dat wil ik niet verpesten. Hee, daar is Martin. He, hola Martin’.
Cesca maakt een schuiver en rukt op naar Martin, daarbij trapt ze op de tenen van Daan die net een gesprek met hem aanknoopt. Met haar ellebogen drukt ze Daan opzij en begint een geanimeerd gesprek met Martin.

Daan loopt naar het groepje waar Maud deel van uit maakt terwijl hij het bierschuim dat uit zijn glas valt van zijn kaki broek klopt.
‘Zagen jullie dat, ze ging boven op mijn tenen staan, zoals ze altijd doet wanneer er een BN’er binnenkomt, dan wil zij met hem praten. Ze duwt je gewoon weg’.
‘Je hebt gelijk’ zegt Rita, ‘laatst nog toen Anne Wil Blankers hier was. Ik stond met haar te praten en Cesca ging gewoon voor mij staan en duwde mij naar achteren, weg van Anne Wil’.
‘Dat wij dat alles toch accepteren’, zegt een vriend en dompelt een enorme snor in het bierschuim.
‘Zonder Cesca is er niks aan, daarom laten we ons voortdurende uitschelden en afsnauwen’, zegt Daan.
‘Waarom mag Maud niet op haar feestje komen?’, vraagt een ander die de pikorde in de groep niet kent.
‘Oh, Maud gaat met de verkeerde mensen om, ze is te ordi. Eens vroeg ze aan Cesca:
Heb jij al een boek? Nou je had het gezicht van Cesca moeten zien’.
Maud zucht, ze drinkt in een teug het glas leeg, ‘wat ze toch tegen me heeft’.
Dan zet ze het glas op de bar,
‘Ik ga op huus aan. Er komen straks twee Italianen in mijn B&B en ik moet ze de sleutel geven. Ook moet ik nog boodschappen doen voor het ontbijt morgenochtend’.
‘Waar doe jij je boodschappen?’
‘Helemaal bij Albert Hein in de Jordaan’.
‘Het is lastig dat alle middenstand verdwijnt uit onze buurt. Toen ik hier kwam wonen waren er twee groenteboeren, een slager èn drogist, nu worden er uitsluitend kleertjes verkocht’, zegt Daan, ‘en dan die Albert Hein op het Koningsplein, wat is dat een verschrikkelijke zaak. Ze verkopen er niets fatsoenlijks, alleen spullen voor de toerist, alsof wij, de buurtbewoners, niet meetellen’.
‘Nee, dat doe je inderdaad niet, toeristen besteden veel meer. Moet je bij mij in de Negen Straatjes komen, alleen nog maar yuppen. Ik ben de enige middenstander in de straat. En al die feesten die die lui geven. Iedere vrijdagmiddag zitten ze op hun dakterras te fuiven’, Maud begint toch maar weer aan een glas wijn.
‘Nu ook, met die kou?’, Daan kijkt verbaasd, er valt een klodder bierschuim op zijn trui.
‘Nou ja, ze hebben de ramen open omdat er altijd veel mensen zijn op hun feestjes. Ik zou wel graag willen verhuizen naar een leuk huisje in een dorp ergens ver weg in Limburg of zo, heerlijk rustig lijkt mij dat’.
‘Nee, ik vind het hier nog steeds heel gezellig en ja het is vervelend dat er geen middenstand meer is, maar we kunnen nog altijd naar de kerk, die is vlakbij’, lacht Daan.
‘Bij mij in Zuid genoeg middenstand en het Gelderlandplein is dichtbij’ Rita strijkt een donkere lok uit haar ogen.
‘Toch zou ik daar voor geen geld willen wonen in zo’n buitengewest tussen die opgeklommen aardappelboeren. Al die kale neten, walgelijk en dan de monotonie van die flats’, zegt de vriend met de snor, ‘en wat te denken van het vliegtuiglawaai’.
‘Ahh, dat valt wel mee, denk ik, het gebral van de toeristen hier is veel erger en dat gaat dag en nacht door, dan passeren ze ook nog eens mijn gracht met hun motorboot en gelal, terwijl het verboden is nota bene om op de zijgrachten de motor aan te hebben. Vooral in het weekend, man, man wat een herrie’, Daan wenkt de barkeeper naar zijn glas, dat leeg is, ‘er wordt niet gehandhaafd, dat is het probleem. Iedereen doet maar, neem nu die bierfietsen’.
‘Er is niets ergers dan een bierfiets’ zegt Cesca die haar jas weer aantrekt en de opmerking meekrijgt.
‘Ga je al Cesca, je bent vroeg’.
‘Ik voel me wat moe,’ en fluisterend tegen Daan, ‘zie je zaterdagavond’.
‘Wat wil je hebben Cesca?’
‘Helemaal niets, en als je iets geeft dan in ieder geval geen planten’ Cesca lacht haar rauwe lach, ‘waag het niet met een plant te komen en champagne wil ik ook niet, want daar houd ik niet van’.
Cesca komt gevaarlijk dicht in de buurt van Maud, die een stukje opschuift en de andere kant op kijkt.
‘Ook geen boek?’ vraagt Daan met een lachje.
‘Nou Daan lijkt me duidelijk’ zegt Maud als Cesca de deur uit is,’ ze wil gewoon helemaal niks, ze gaat immers binnenkort dood, dan kan ze toch niets meenemen. Ik hoop dat er een kroeg is op de plek waar ze naar toe gaat’.
‘Dat hopen wij ook’, roepen Rita en Daan tegelijk, ‘dat wensen wij haar allemaal toe’.
Allen heffen het glas.
‘Op Cesca en de kroegen’.
‘Ik ga er vandoor, ga maar eens boodschappen doen, tot ziens allemaal’.
Maud stapt naar buiten juist op het moment dat er een bierfiets aankomt met tien lawaaiige deelnemers erop. De bestuurder ziet haar te laat om nog te kunnen uitwijken. Maud neemt een reuze sprong en belandt half op de blote witte knieën van een Engelsman, die net zijn glas naar zijn mond brengt. Zij moet zich vastklemmen aan een stang van de wagen om niet te vallen. Het bier van de Brit loopt in haar gezicht. De Engelsen hangen brullend van het lachen achterover en slaan zich kletsend op de blote dijen. Het bier schuimt de kantelende fiets af, joelend gaat Britannia ten onder.

One thought on “Aan de Amsterdamse grachten(een kort streekverhaal)

  1. Kaj Elhorst schreef:

    Mooi zo, perfide Albion!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s