De geheime tuin

Je hand streek over de lavendel, de geur steeg op naar waar ik stond. Ik kende je alleen als zittend: een donkere figuur in een fauteuil als een olifant. Ja ook je gezicht was donker met uitzondering van de enorme bos lichtgevende krullen. Aan je haar mocht niemand zitten alleen de vrouw mocht een keer in de paar weken onder luide protesten en woeste gebaren een paar wilde krullen wegsnijden. Die berg op je hoofd viel mij het eerst op en de jas, die je altijd droeg, een soort van kimono met rode bloemen

Ik stond verborgen achter de vitrage voor het open raam in het huis van de vrouw die ik tante noemde. Ik woonde bij haar sinds de dood van mijn ouders. Ik wist van haar bestaan niet af, ze doemde zomaar op na de begrafenis en nam mij mee.

Het raam van mijn kamer keek uit op een binnenplaats en de kale muren van de buurhuizen. Op een paar teilen en emmers na was er op de plaats niets te zien, maar op een avond toen de zon achter het huis wegzakte en de laatste zonnestralen speelden met de schaduwen op de muren veranderde de schaduw in schimmen die zich verspreidden over de tegels en bakstenen. De schimmen werden planten, bomen zelfs. Zij schoten uit de voegen van de stenen omhoog en verstrengelden zich. Tegen de tijd dat de zon was verdwenen bloeide en groeide er een lusthof.

De eerste keer dat het gebeurde geloofde ik mijn ogen niet. Toen zag ik jou uit de serre komen. Ik wist toen nog niet dat jij dat was.

De volgende dag herkende ik je aan die enorme bos haar. Je keek me aan. Wist je dat ik je gezien had? En de vrouw, mijn tante wist zij dat jij ’s avonds ging wandelen in een imaginaire tuin?

De dagen en avonden die volgden zorgde ik ervoor dat ik bij het raam in mijn kamer stond als de zon onderging. Als het zover was dat de laatste stralen over de muren speelden hield ik mijn adem in en ja, daar waren zij weer de schimmen. Ze liepen uit over de hof en zijn muren.

Een avond kon ik mij niet inhouden, ik ging naar beneden naar de serre. Jij liep in de tuin. Ik wilde naar je toe. Toch bleef ik staan. Iets, een hand, hield mij tegen. Je gleed langs de planten en bomen en streek over de lavendelstruiken. Ik hoorde je praten en slaakte een kreet. Je draaide je om, je was niet verbaasd, je wenkte.

‘Jij mag hier niet zijn,’ zei hij zacht.

Ik voelde je hand over mijn haar, de hand ging van mijn oren naar mijn hals. Zachte vingers legden zich om mijn keel. Je keek me vriendelijk aan met je mooie ogen die straalden als de zon.

‘Je kunt hier iedere dag komen als je wilt,’ zei je met jouw hand nog steeds om mijn hals, ‘dan word je net als ik, bewaarder. Wil je dat?’

‘Ja;’ zei ik en zijn zonne-ogen bogen zich over mij heen toen hij kneep. In zijn ogen schitterden sterren toen werd het zwart.

Toen ik bijkwam was je verdwenen. Sindsdien somber ik in de grote fauteuil en denk aan onze ontmoeting. Ik mis je. Na zonsondergang loop ik door de tuin, de magnolia staat in bloei. Ik streel hun rode bloemen en praat tegen ze als tegen jou.

Mijn haar is lang en blijft maar groeien. Het hangt ver over de rode jas die ik op een avond vond bij de magnolia. Tante wil mijn haar niet knippen. Zij knipt alleen maar krullen, zegt ze.

In de tuin strijk ik over de lavendel en ruik aan de magnolia. Soms kijk ik naar boven naar het raam. Als het openstaat wens ik dat jij achter het gordijn staat en naar mij verlangt als ik naar jou.