De helleveeg 1

P

foto: onh.nl

Pa stierf aan de diarree, die hij had opgelopen door de hitte, of door besmet slootwater of door allebei. In de hospitaaltent legde Bets hem af. Ik stond erbij en keer ernaar. Ma was veertien dagen eerder gestorven net als pa aan de diarree. Bets ontfermde zich over mij net zoals zij dat deed voor alle andere wezen en half wezen. Net vijftien was ik en had al zoveel doden gezien, maar dit was anders deze dode was mijn pa. Toch voelde ik een vreemde afstand. Ik pakte zijn hand en liefkoosde zijn lange haar dat zwart vlamde boven het bleke gezicht waartegen over zijn linkerwang zijn rechteroog en voorhoofd de rode karteling van de sabelhouw wreed afstak. Dit was de eerste keer dat ik was meegegaan. Het zou niet lang duren, de Belgische opstandelingen neerslaan, dat was zo gebeurd, zeiden de vrienden van pa. Hij had gelachen en gezegd,
‘Nou meidje, bereid je maar voor.’
‘Het duurt niet lang zeggen ze toch, jullie zijn sterk.’
Pa zette zijn borst vooruit.
‘Jawel, maar die Belg moet je niet onderschatten.’
Zijn borst zakte in en verbeeldde ik het me nou of verscheen er een donker waas in zijn ogen. Maar nee, ik moest me vergissen, zijn ogen glinsterden net als altijd.
‘Ma wat zeg jij ervan?’
Ik draaide me voor meer zekerheid naar mijn moeder, die bezig was spullen in een grote zak te stoppen.
‘Kleed je goed aan.’ was het enige dat zij zei.
Ik keek naar de dunne bloes die ik aanhad en die van mijn schouders zakte omdat hij veel te groot was. Behalve die bloes had ik nog een omslagdoek, dat was alles. Ik besloot die doek mee te nemen hoewel het snikheet was, maar ja als ma het zei.

Ik streelde het graatmagere lichaam van pa en voelde ter hoogte van zijn borst iets knobbeligs. Ik greep onder zijn hemd, daar zat iets. Voordat ik het kon pakken sloeg Bets mijn hand weg, waarna zijzelf onder zijn hemd greep en het iets losmaakte. Er kwam een lap uit pa’s hemd tevoorschijn. Voordat ik kon zien wat het was stak zij die in haar schortzak.
‘Bets wat heb je daar, wat doe je?”
‘Ach kind maak je niet zo druk het is gewoon een stukje stof’.
‘Nee, het is van mij, geef hier”.
‘Kraai van een meid wil je wel eens rustig doen’.
‘Niet weggooien Bets, geef aan mij’, gilde ik.
‘Ik gooi het niet weg meidje’, schreeuwde zij terug, ‘hou je rustig. Ik heb je altijd gezegd kalm te blijven en niet zo doldriest, dat gaat je nog eens opbreken dat zul je zien. Denk toch eens na, dit is een vieze zakdoek, die verbranden wij straks met de rest van zijn kleding’.
Na deze tirade stak Bets haar hand nog eens in haar schortzak en voelde aan wat zij zei dat een zakdoek was. Ik ging opstandig aan haar arm hangen.
‘Die zakdoek is niet van jou’, gilde ik, ‘hij was van mijn vader en nu is die van mij’.
Als een golf sloeg de dood van mijn ouders plotseling over mij heen. Ik was alleen. Er was niemand meer die van mij hield. Ik stond er alleen voor en dat ‘er alleen voor staan’ gaapte mij groot en donker aan. Ik begon te krijsen.
‘Je blijft ervan af’, schreeuwde mijn verzorgster terug, ‘je vader heeft er het zweet van zijn kop mee afgewist. Als jij dat besmettelijk ding aanraakt, dan word je ook ziek. Of wil je jezelf doodschijten net als pa en moe?’
Bets gaf een me een klap in mijn gezicht, toen mijn gillen hysterisch krijsen werd. Zij wilde mij bij mijn haren de tent uitsleuren. Door ons geschreeuw werd de ruzie door heel wat mensen gadegeslagen. Onder hen een aantal mannen, die in een aanpalende tent van lichte verwondingen herstelden.