De hijskraan

Fotohijskraan

foto: Renée Miles.

Hilde reikt mij een doek aan. Ik kijk er naar, trek er aan, zwaai er wat mee, draai mij om. De kleine wijzer van de klok staat op tien, ik draai verder naar de ramen die de gehele zuidzijde beslaan. Fijn, die grote ramen, heel wat beter dan het uitzicht in de stad, waar onze school tot een week geleden professionele studies aanbood aan volwassenen. Jammer alleen dat we nu met z’n allen naar een industrieterrein moeten afreizen. Buiten blaakt de zon onder een strak blauw baldakijn, een bouwkraan steekt in de hemel, heel hoog in het hokje is een schim zichtbaar. Ik ga op mijn tenen staan en rek me uit. Een kraanmachinist hoeft nooit te verhuizen want hij verhuist altijd in zijn eigen huisje, maar hoe komt hij daar? Klimt hij helemaal omhoog of laat hij zich via een helikopter in zijn cabine zakken? En hoe zou het geregeld zijn met de persoonlijke hygiëne, gaat het niet stinken in die cabine, is er water en een wc?
Achter mij hoor ik collega’s met emmers sjouwen, dan het geluid van een doek die wordt uitgewrongen, plenzend water. Ik vang een citroenlucht op en moet denken aan mijn moeder, die ook altijd stond te poetsen en in schoolvakanties eiste dat ik mee poetste. Nog even, denk ik, nog een ogenblik in de zon. Ik kijk weer naar het wajangpoppetje in de kraan. Hij zal toch niet iedere keer naar beneden moeten, dat is inefficiënt en het past niet bij een bouwvakker. Het geluid van een vallend voorwerp brengt me terug in het lokaal. Ik spreek mijzelf toe, draai je om, draai je nou toch om, je moet gaan helpen, zo maak je geen vrienden. Even nog laat ik de warme zonnestralen op mijn gezicht schijnen, mijn blik blijft rusten op het hijsblok. Het hangt als een spin in de lucht en transporteert moeiteloos met zijn lange poot een groot blok van links naar rechts, van boven naar beneden. Zonnestralen spetteren op de kraanpoot. Mijn neus raakt het raam, ik doe een stapje terug en blijf kijken hoe de hijskraan zijn vracht verplaatst. Een paar mannen in gele hesjes, met witte laarzen en helmen, doen hetzelfde. Ze staan wijdbeens met de armen in de zij.
Iemand trekt aan me. ‘Deze kastjes moeten worden schoongemaakt, de planken zijn vies.’
Ik zucht en kijkt naar de planken. Inderdaad, die zien er smerig uit. Ik zak op mijn knieën en verdwijn in een berg stof. Hoe is het mogelijk dat die troep er tijdens de verhuizing niet uitgevallen is? Een muffe lucht en een kriebelende grijze massa dringen in mijn neusgaten. Niezend sta ik op, de collega’s staan ijverig over kastjes gebogen. Sommige zijn er bijna in verdwenen. Ik laat de natte lap in een emmer plonzen en kijk naar de klok. Half elf.

In de docentenkamer baan ik me een weg naar het raam. Is er misschien een lift om in die cabine te komen? Na een tijdje merk ik dat ik op mijn tenen sta. Ik laat het uitzicht voor wat het is en keer me om naar de chaos binnen. De grote tafel lijkt het enige meubel in het hele pand waarop geleefd wordt. Op het blad staan morsige kopjes en bekers. Verse koffievlekken trekken brede strepen, een theezakje ligt uit te druipen op een servetje. Iemand heeft zijn boterhamzakje laten liggen, een aangevreten boterham met pindakaas steekt er uit. Ik pak een paar koekjes uit een geopend pak en zak neer op een van de stoelen die schots en scheef om de tafel staan. Hilde van de sectie Engels stapt binnen met een poetsdoek in haar hand.
‘Wat ga jij doen?’
‘Ik ga mijn kast inruimen,’ zeg ik en slenter naar de kasten die tegen de muur staan. Ik zoek de mijne. Ik ben eraan ik gehecht en heb hem voorzien van een merkteken. Hij sluit namelijk goed en de planken hebben precies de juiste hoogte. Ik graai in mijn tas naar de sleutel. Als de deur soepel openzwaait, zie ik tot mijn verbazing dat mijn kast gevuld is met boeken, schriften, mappen en nog meer boeken.
‘Huh, wie heeft hier zijn spullen in gezet?’
Hilde trekt een boek van een plank.
‘Economie, hm, iemand van de sectie Economie, Arthur misschien. Hij was hier gisteren aan het werk.’
Ik probeer een paar andere kasten. Ze verzetten zich hardnekkig, maar met koppig trekken en duwen krijg ik ze open. Metalen planken vallen krassend naar beneden om schots en scheef op de bodem te kletteren. De enige goede kast in het hele gebouw heeft Arthur ingepikt. Hoe komt hij aan de sleutel?
Een klok boven op een kast wijst bijna twaalf uur. Lunchtijd.
Buiten rinkelt een bel. Zou de machinist nu uit zijn hokje komen en naar beneden gaan? Ik loop naar het raam. De arm van de kraan hangt stil in de lucht. Ik vraag aan Hilde of zij iets weet over het leven van een kraandrijver, maar ze lacht en haalt haar schouders op.
‘Hoe is het met de kantine, weet je daar iets van?’
‘Het is een grote kantine, maar er zal nog wel niet veel te eten zijn.’

De kantine is inderdaad ruim. Het is er kil en ordelijk en het ruikt naar braadvet. De catering is bezig in de keuken, maar de vitrines zijn vrijwel leeg. Aangetrokken door de lucht, besluiten wij voor krachtvoer in de vorm van een frikandel met mayonaise en tomatenketchup, er gaat een grote schep uitjes over.
‘We moeten nog op gang komen’, legt de dame aan de kassa uit, ‘we zijn van plan verse salades en fruit aan te bieden.’
Hilde en ik gaan aan een lege tafel zitten en verorberen onze frikandel op een knapperig broodje. Ik zoek met mijn ogen de kantine af naar Arthur.
‘Heb jij Arthur gezien?’, vraag ik een collega van de sectie Economie die aan ons tafeltje komt zitten.
‘Vanochtend zag ik hem aankomen op zijn motor, daarna heb ik hem niet meer gezien. Hij moet zo wel verschijnen want om een uur heeft de sectie een vergadering.’
‘Nu al?’, roept Hilde verschrikt, ‘zijn jullie al klaar met inrichten?’
‘Onze sectie is zo goed als klaar’, de collega kijkt voldaan rond en strijkt door zijn rode krullen.
‘Ik zie nog niemand van de sectie Economie’, zeg ik, ‘ik denk dat jij de enige bent in de vergadering.’
De collega geeft geen antwoord, maar kauwt bedachtzaam op zijn bruine boterham.
‘Zeg, weet jij hoe een kraandrijver in zijn cabine komt?’ vraag ik.
‘Ja’, zegt hij en veegt zijn mond af met een servetje, ‘met een liftje. Hij gaat naar boven met een liftje. Hoezo?’
‘Ach zomaar,’ zeg ik tam.
‘Het lijkt mij nu toch niet de tijd voor dit soort dingen.’ Hij kijkt me aan met kleine blauwe oogjes.
Ik voel mij geroepen een uitleg te geven, maar bedenk me. Hij zou het niet begrijpen, de econoom. Persoonlijk heb ik meer met de sectie Wiskunde, die weten gewoon dat ze niets weten, dat maakt ze tot aangenaam gezelschap. Ik kijk eens naar Hilde die de borden stapelt en de restanten van haar maaltijd bijeen veegt. Ze maakt aanstalten op te staan, haar paardenstaart zwiept heen en weer.
‘Kom op’, zegt ze, ‘we gaan weer aan het werk.’ Op haar comfortschoenen marcheert ze naar de transportband, haar sportbroek slobbert om haar heen.
Ik volg braaf en zie op de klok in de docentenkamer dat het kwart voor een is. Arthur moet nu snel komen, ik heb zin eens stevig met hem in debat te gaan. Maar wie er ook de docentenkamer binnenstapt, geen Arthur. Ik slenter naar het lokaal waar ik les ga geven. Ook daar kasten, al gevuld met bezittingen van collega’s. Ik besluit te gaan inwonen en maak een paar planken vrij. Dan sleep ik mijn dozen uit de gang het lokaal in, spuug in mijn handen en rol mijn mouwen op. Omdat ik bij het inpakken alles met stofnesten en al in dozen heb gekwakt, moet ik nu aan de grote schoonmaak. Na een uurtje ben ik lekker opgeschoten en heb reuze dorst. Ik rijs op uit het karton en de proppen papier, glijd stevig uit over een plastic mapje en wandel naar de docentenkamer waar de koffieautomaat dood in een hoekje staat.
‘Morgen komt de techneut om het apparaat in werking te zetten.’ wordt mij meegedeeld.
Thee en koffie zijn verkrijgbaar in de kantine. Op de terugweg realiseer ik me dat mijn woede op Arthur is bekoeld, ik ben hem en zijn daad zelfs helemaal vergeten. In mijn diepste krochten zoek ik naar het restant van mijn boosheid. Hij moet niet denken ongestraft weg te komen met de annexatie van mijn bezit.
‘Waar is Arthur?’, vraag ik de collega’s.
‘Met welke storm ben jij komen aanwaaien?’ is hun reactie.
Ik strijk mijn haar glad dat door de opruimingsdrift naar alle kanten piekt en trek mijn trui recht. Ben ik echt zo naar de kantine gegaan?
‘Waar is Arthur?’, herhaal ik.
‘Goeie vraag, hij was ook niet op de vergadering.’
Misschien moeten we hem eens gaan zoeken,’ zegt de sociale Hilde, ‘het is gek dat hij helemaal niet is komen opdagen.’
‘Ik kan het me wel voorstellen’, zeg ik en kijk eens op de klok die nu op ongeveer drie uur staat, ‘hij heeft vast iets beters te doen dan verhuizen, golfen bijvoorbeeld. Is er hier in de buurt misschien een golfterrein?’
Deze opmerking wordt genegeerd.
‘Heeft iemand mijn whiteboard gezien?’, vraagt iemand, ‘ik zoek me wild, maar kan het nergens vinden. Het moet ergens zijn, ik weet zeker dat er twee zijn meeverhuisd.’
‘Kijk eens achter in de gang’, zeg ik, ‘daar is een kamer die vol staat met tafels, stoelen, kasten, bureaus en kapstokken, misschien staat jouw bord er ook bij.’
Ik wandel naar het raam en neem kleine slokjes van mijn thee. Op de bouwplaats is het stil, het zwarte figuurtje is weg uit zijn kooi, de lange arm steekt nutteloos vooruit. Een paar bouwers lopen richting keet. Naast de keet staan auto’s en een motor. Zijn ze klaar met hun werk?
‘Zeg weten jullie dat, hoe laat bouwvakkers beginnen?’ vraag ik in het algemeen aan de aanwezigen.
Hilde komt naast me staan en slaat haar arm om me heen.
‘Toen ik hier om half acht kwam, waren ze al in bedrijf, maar kom jij nou even helpen met het schoonmaken van de kastjes’, zegt ze lief.
Kijk, zo had mijn moeder dat vroeger ook moeten vragen. Ik stort mij op het poetsen van kastplanken in een groot en kaal lokaal. Uit het lokaal er naast komt gebonk en geschuif, vergezeld van veel gescheld en gevloek, na enige tijd gevolgd door een jubelkreet.
Als ik overeind kom, staat de klok op vijf over vier, tijd om te stoppen en weer eens te kijken of Arthur is gearriveerd.
Bij de sectie Economie is alleen de collega met het rode haar aanwezig.
‘Is Arthur geweest?’ vraag ik en loop naar het raam. Op het bouwterrein staan de bouwvakkers in groepjes te praten. In de cabine van de kraan zit een figuurtje. Het hijsblok zwiept vrachtloos rond.
‘Hmm’, gromt hij.
‘Wat gek’, zeg ik, ‘hij lijkt wel dronken, die kraanmachinist en zo laat nog aan het werk. Normaal gesproken stoppen bouwvakkers toch om een uur of vier?’
‘Hmm’, bromt de collega weer, ‘jouw fascinatie voor dat bouwterrein begint op een obsessie te lijken.’
De mannen op het terrein staan nu geagiteerd naar de kraan te wijzen. Mijn blik glijdt van de keet naar auto’s naar de motor.
‘Zeg, zei jij niet dat Arthur op de motor kwam?’
De collega staat op en komt naast me staan.
‘Zou dat de motor van Arthur kunnen zijn?’
‘Inderdaad dat lijkt zijn motor, maar zeker weten doe ik het niet.’
Twee gelaarsde mannen sprinten naar de kraan. De collega beent naar de deur.
‘Ik ga eens een kijkje nemen,’ zegt hij over zijn schouder.
Een paar minuten later zie ik zijn rode haar opdoemen tussen de bouwplaten in het omgewoelde zand. Hij zwaait met zijn armen en loopt naar de motor, gevolgd door een man met een helm op. Ze gebaren naar de kraan, waarvan de arm nog steeds heen en weer beweegt, wat soepeler dan daarnet lijkt het. Het liftje begint te dalen, de schim in het hokje trekt zich verder in de cabine terug. Hoe moet hij nou naar beneden? De twee mannen onder de kraan staan naar boven te kijken. Passen er wel twee kerels in dat liftje, vraag ik mij af, gaan ze de dronken kraandrijver uit zijn cabine halen en wat gaan ze met hem doen? Een politiewagen draait het terrein op, de collega is inmiddels aangekomen bij de kraan, ook hij kijkt omhoog, een hand boven zijn ogen.
In mijn hoofd zingt het, genietend sla ik mijn armen over elkaar en kijk op de klok. Die staat op kwart voor vijf. In de docentenkamer open ik mijn kast en neem hem weer in bezit.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s