De ogen van Gerard

foto: ad.nl

foto: ad.nl

‘Hohoho’, de Kerstman rinkelt zijn bel. De tram rinkelt mee, remt knarsend en opent zijn deuren. Rijen mensen stromen uit over het plein, de gracht en de brug. Soms gooien ze een kleinigheid in de centenbak van de Kerstman, maar het vrouwtje dat naast hem staat en haar hand op houdt zien ze niet staan. Het mensje trekt haar loden mantel stevig om zich heen en steekt haar handen diep in de zakken. Ze laat wat munten tussen haar vingers doorgaan. De AH is dicht, daar had ze niet op gerekend. In haar denkwereld is de Appie de hele nacht open. Wat nu? De cognac is op en het geld dat ze heeft kan ze niet uitgeven. Zuchtend draait ze naar de Kerstman,
‘Heb jij nog wat opgehaald?’
De man zegt niets, maar zwaait met de bel, die luid klingelend opgaat in het tramgerinkel. Ze haalt haar schouders op, naar het Leger dan maar? In godsnaam dat nooit, die gore zevers. Liever gaat ze naar het park en droomt over voorbije Kerstdagen, over de warmte en de vele cadeautjes, de mooie boom, het diner. Het moest een Hollands diner zijn, Indisch mocht niet met Kerst. Haar moeder maakte het voorafje  zelf: garnalencocktail met sloten cognac, de fles draaide ze helemaal om. Zou daar haar voorkeur voor cognac vandaan komen? Ze kijkt weer eens naar de Kerstman. Op hetzelfde moment draait hij zich om, hun ogen treffen elkaar. Maar dat is Gerard! Dezelfde ogen. Haar bruine oogjes plonsen in zijn kastanjebruine kijkers. Gerards ogen waren niet bruin, maar grijs met groene spikkeltjes. Het is de blik, die het zelfde is. Ze trekt haar ogen langzaam uit de donkere poelen. De kerstman wendt zich af
‘Hohoho,’ roept hij.
Ach Gerard, de veroorzaker van haar miserie. Hij wilde haar niet, moest zo nodig getrouwd blijven met dat mens waarover hij altijd zeurde, dat ze hem niet begreep. En zij, zijn secretaresse, werd overgeplaatst naar een andere gebouw in een andere functie, want hij was haar zat, zei ie. Zijn vrouw was hij ook zat, dat had ie ook gezegd. Ondanks de overplaatsing en de straf die de rechter haar oplegde als ze bij hem in de buurt kwam, kon ze hem niet loslaten. Dat kostte haar haar baan en evenwicht in het leven, want nog steeds….
‘Ik heet Toetie,’ zegt ze tegen de Kerstman, ‘hoe heet jij?’
Hij kijkt haar aan,
‘Hohoho,’ zegt hij en zwaait de bel.
Ze besluit de avondwinkel te zoeken, die ergens in de buurt moet zijn. Gerard ziet ze straks. Iedere kerstavond viert hij met haar mee. Toetie sloft de brug over en struikelt over de ongelijke tegels op de stoep. Mensen lopen haastig voorbij, duwen tegen haar schouder. Haar voeten doen pijn. De linkerschoen is te groot en de rechter zit strak. Langzaam slaat ze linksaf een steegje in, hier moet het ergens zijn, die avondwinkel. Het steegje wordt nauwer, een vette mist hangt tussen de huizen, die zwart glinsteren van de kou. Een geur van dennenappels en brandend hout heeft zich in de nevels genesteld en brengt herinneringen mee van lang geleden. Wat een mist, haar loden jas is niet bestand tegen zoveel vocht. Ze zet de kraag op en houdt hem vast onder haar kin, een paar grijze pieken, die aan haar muts ontsnapt zijn hangen voor haar ogen. Aan haar neus vormt zich een bel, die eventjes blijft hangen, maar dan definitief loslaat en naar beneden glijdt. Ze vangt hem op met haar tong en strijkt hem uit over haar lippen. De mist wordt dikker, de huizen zijn niet meer zichtbaar. Toetie sjokt van links naar rechts. Ze grinnikt in zichzelf, het is toch lang geleden dat ze een slok alcohol dronk. Dan schemert iets roods door de donkergrijze schemer. Dichterbij gekomen wordt het rood een geheel van letters.
Langzaam duwt ze de deur open, een belletje klingelt net als vroeger in de kantoorhandel waar ze linten kocht voor haar schrijfmachine. Ze zullen toch wel alcohol verkopen? Toetie slifferslaffert naar de toonbank en slaat haar blik op naar de verkoper, die er groot en breed achter toornt. Hij kijkt op haar neer, ze moet haar hoofd naar achteren brengen om hem te kunnen aankijken, de dikke muts zit in de weg, ze schuift hem iets omhoog. Haar scheve oogjes gaan helemaal naar boven. Verdraaid, het is Gerard weer, dezelfde ogen.
‘U komt voor cognac,’ zegt de man, die Gerard niet kan zijn. Twee rode plekken op zijn voorhoofd gloeien als de lampenpeertjes, die vroeger haar kamer verlichtten. Lange snijtanden worden zichtbaar als hij praat. Dat had Gerard allemaal niet. De Nep Gerard weet waarvoor ze komt.
Hij zegt, ‘Ik heb een heel goede cognac, niet te duur. Speciaal voor Kerst.’
‘Doet u die dan maar,’ zegt ze en legt het geld op de toonbank.
‘U kunt twee flessen kopen voor dat geld.’
Direct pakt hij achter zich twee flessen uit het rek. Toetie gaat op haar tenen staan om op het etiket te kijken.
‘Ik ben niet achterlijk hoor, ik wil weten wat ik koop.’
‘Een goede cognac heeft geen etiket nodig. Het gaat om de inhoud niet om het uiterlijk.’ Dubbelganger Gerard zet met een klap beide flessen neer, doet er een papier omheen en stopt ze in het tasje dat Toetie vanonder haar lappen vandaan haalt.
‘Veel plezier ermee.’
Voor ze het weet staat Toetie weer in het steegje. De mist is weg. Ze draait zich nog eens om,  ook het uithangbord is verdwenen. Ze haalt haar schouders op en sloft met haar schat naar het Vondelpark. Daar op een bankje zal zij haar Kerstavond vieren, garnalencocktail eten, cognac drinken en straks cadeautjes krijgen. Ze krijgt zin om te gaan liggen, haar ogen dicht te doen en te dromen. Ze zal niet alleen zijn. Gerard is er ook.
De gedachtenflits, dat Kerst zonder Gerard misschien prettiger in ieder geval rustiger zal verlopen, dringt ze weg. Hij is haar liefde voor altijd.

Er zit iemand op haar bankje in het Vondelpark, hij is breed en rood. Dichterbij herkent ze Hohoho. Toetie trekt haar schouders op en probeert met haar vingers een paar hinderlijke haarpieken uit haar ogen te vegen, maar door de kou zijn de toppen van de vingers gevoelloos en moet ze eindeloos strijken om de haartjes onder haar muts te krijgen. Hoe moet dat nou met Gerard?
‘Gezellig, jij ook hier’, zegt Toetie. Maar niet heus, denkt ze.
Wat is die man breed. Zij kan er nog net bij op het bankje, maar ja zij is dun. Altijd al geweest overigens. Ze installeert zich en wikkelt een fles uit het papier. Hohoho haalt een plastic zakje tevoorschijn. Hij steekt er zijn wijsvinger in, als hij hem er uit haalt zit er poeder op. Zijn vinger brengt hij naar zijn neus en snuift krachtig.
‘Geef mij ook wat,’ zegt Toetie, ‘mijn neus lekt al de hele avond.’
Ze steekt haar vinger in het zakje, en brengt hem naar haar neus.
‘Haa,’ zegt ze, ‘en nu de cognac, de avond kan niet meer stuk.’
Ze zet de fles aan haar mond.
‘Wat een vreemde smaak!’
Ze brengt de fles naar haar ogen om het etiket te lezen,
‘Ik kan niet lezen zonder bril, kun jij het lezen?’
Hohoho neemt de fles aan en brengt hem naar zijn mond. Een druppel drank huppelt van zijn onderlip in zijn baard. Met de rug van zijn hand veegt hij in de witte haren.
‘Zijn ze echt, die haren?’ Toetie richt zich op en trekt aan de baard, ‘goh, je bent een echte Kerstman.’
Ze kijkt hoe Hohoho de fles weer naar zijn mond brengt.
‘Wat fijn dat jij er bent,’ zegt ze en schurkt tegen hem aan, ‘ weet je dat Gerard zou komen vanavond. Ik schrok toen ik je net op het bankje zag zitten. Maar nu vind ik het niet erg meer.’
Dat Gerard er niet is wilde ze nog zeggen, maar Hohoho geeft haar de fles aan. Ze neemt een stevige slok,
‘Die drank hè, die is hartstikke goed, die laat mij alles in het juiste perspectief zien. Dat jij er bent bijvoorbeeld, zo echt en warm.’
Toetie blikt tevreden voor zich uit. Wat is dit toch een prachtig park, het lijkt wel of het steeds mooier wordt. Zelfs de zon is die mening toegedaan, want ze komt op en laat haar warme stralen over Toetie glijden. Toetie maakt haar jas los en neemt nog een slok, zij geeft de fles weer aan Hohoho. Om en om zuigen ze aan de fles, zo af en toe snuiven ze van het poeder dat Hohoho uit zijn zak haalt. Ze legt haar hoofd tegen zijn schouder, begint aan fles nummer twee en kijkt in zijn ogen.
‘Zo gek,’ zegt ze, ‘ik heb Gerard nooit kunnen vergeten, maar nu ik jou heb, mis ik hem helemaal niet. Ik vind jouw ogen ook mooier dan die van hem, eigenlijk. Wat fijn zo samen Kerst te vieren.’
Ze legt draait haar hoofd in de holte van zijn fluwelen schouder.

Op Kerstochtend vindt de Plantsoenendienst een oude vrouw op een bankje. Haar dikke jas hangt open en laat een dun lijfje zien. Haar hoofd met de muts ligt op haar armen, die de leuning stevig omklemmen. Haar mond gestold in een grimas. Op de grond liggen twee lege flessen spiritus.