De vrouw in de gekleurde rok II (herziene versie)

Sara

Na het eten mochten mijn zus en broer nog opblijven. Ik moest naar zolder naar de vliering waar mijn wij drieën sliepen. Sara voelde zich dikwijls moe en ging dan toch vroeg de ladder op. Ik draaide nog wat rond en deed of ik mijn schoenen uittrok. Ik wilde erbij zijn. Vooral als Willem nog wat kletste met pa bij wie hij werkte als leerling op de kleermakerij. Als ze me niet in de gaten hadden verborg ik me in de bedstee van pa en ma. Vandaar gluurde ik de kamer in. Ma stopte sokken aan tafel onder de lamp. Pa zat bij de haard in de rieten stoel en rookte pijp, Willem naast hem in het driehoek stoeltje. Zij praatten over de mensen, die op de kleermakerij kwamen en van wie ik er enkelen wel kende. Ze praatten ook veel over de vrouw in de gekleurde rok.

De vrouw kwam vaak in de buurt van de school waar ik met vriendjes op het plein speelde. Dikwijls liep er een meisje van mijn leeftijd naast haar. Zij droegen heel andere kleren dan wij. Onze rokken waren grijs of bruin, versleten en versteld. Die van het meisje en de vrouw waren fel gekleurd met veel blauw en rood en zwart, ook wel versleten maar heel zwierig. Ik wilde graag spelen met een meisje dat zulke mooie rokken droeg, maar haar moeder verbood het. Een keer toen ik alleen was, toen knikte ze en hebben het meisje en ik op het plein gehinkeld en rondjes gedraaid met onze handen in elkaar tot we er duizelig van werden. Haar rokken golfden om haar heen, zo mooi dat we niet van ophouden wisten tot het meisje met haar hoofd op de stoeprand viel. Zij bloedde als een koe die geslacht werd. De vrouw krijste, ik stond erbij mijn armen langs mijn lijf. De vrouw haalde een grote zakdoek tevoorschijn en bond die om het hoofd van het meisje, nam haar hand en samen liepen ze weg.

Ik hoorde mijn ouders praten over die vrouw. Ik wist dat het over haar ging omdat ze het hadden over gekleurde rokken. De vrouw was naar de kleermakerij gekomen begreep ik. Ineens hoorde ik mijn naam. Ik tilde mijn hoofd en spitste mijn oren.

‘Ach welnee,’ hoorde ik Willem zeggen.

Ma’s ‘Jawel,’ verstond ik nog net toen mompelde ze iets dat ik niet kon verstaan.

Ik moest mij zelf dwingen te blijven liggen en niet uit de bedstee te springen. Van het monotone gemompel viel ik dan toch in slaap en werd pas wakker in de armen van Willem, die me de ladder optilde. Ik sliep weer in en merkte niet eens dat hij ging liggen op zijn plekje op de matras in de hoek onder het dakraampje.

Sara en ik moesten iedere zaterdagnamiddag in de teil om ons helemaal te wassen. Een zaterdag wilde Sara niet meer in de teil. Ze hoestte steeds erger en ging apart slapen, want ze hield Willem en mij uit de slaap met haar gehoest. Pa regelde een extra matras en legde die in de kamer. Daar lag Sara bleek te kuchen en te rochelen. Het maakte niet zoveel uit dat ze apart lag, we hoorden haar toch op zolder. Ma gaf haar kruidendrankjes, gemaakt van geneeskrachtige planten, die ze vond in de weiden en bossen. Ik wist dat het niet zou helpen, mijn zusjes ziekte was de wraak van de hooiwagens.