De vrouw in de gekleurde rok III (herzien)

Ma wilde voor Sara speciale drankjes maken waar kruiden in gingen die niet in onze tuin groeiden. Daarvoor moest ze naar het bos een stuk lopen van ons huis. Als ik vrij van school was nam ze mij mee. We liepen omhoog over de Utrechtseweg, de Wegh der Weegen, zei pa, naar het bos. Ma was in gedachten en liep snel. We gingen langs een huizenrij. In de verte zag ik de vrouw aankomen. Haar kleurige verschijning viel op in het grijze straatbeeld.. Ik keek goed of ik het meisje zag. Misschien liep zij achter de vrouw, maar nee ik zag haar niet. De vrouw kwam dichterbij, ik wilde achter ma gaan lopen om haar de kans te geven te passeren maar ma hield mijn hand stevig vast zo stevig dat we zeker tegen elkaar op zouden lopen. Ik hief mijn hoofd naar ma. Zij keek recht voor zich uit stapte door op de stoep en trok. Ik kon geen kant op. Rechts van mij was ma en links de muur. Ook de vrouw ging niet opzij. Zij stapte met vastberaden blik frontaal op mij af en kwam steeds dichterbij. Ik vertraagde mijn pas. Ma pakte mij in mijn nek en duwde. Ik struikelde over mijn benen en viel tegen de rokken van de vrouw. Haar benen benen gingen krachtig voorwaarts. Stevig benen die van geen wijken wisten. Ik kon nergens heen, sloot mijn ogen, greep in de rokken en rook een aardegeur maar ook kruiden zoals in de gehaktballen. Ik vocht mijn lijf naar rechts naar ma. Ma duwde mij voort, ik draaide mijn heupen verder opzij, mijn hoofd in de ijzeren greep van ma’s hand. Verkreukeld kwam ik uit de rokken. Pieken haar hingen langs mijn hoofd, mijn vlecht zat los. Ma liet los, ik deed mijn ogen open en ging weer rechtop lopen. Ik draaide me om, de vrouw keek ons na, balde haar vuist en schreeuwde een verwensing.
‘Wie is dat ma?’ vroeg ik.
‘Niemand.’

’s Avonds na het avondeten zat ik op de matras bij Sara. Tussen haar hoesten door giechelden wij over allerlei dingen die ik overdag had meegemaakt. Van ma mocht ik Sara niet te moe maken, maar ze lette niet op. Ze praatte druk met pa en had geen tijd voor ons. Plotseling hoorde ik haar tegen pa zeggen.
‘Dat mens in die gekleurde rok, die zus van jou…’ daarna zei ze nog iets. Ik stond op, legde mijn vinger op mijn lippen om Sara te manen haar hoestbuien te stoppen en sloop naar ze toe, maar ma zag me en zweeg. Pa draaide zich om en zei iets over ‘kleine potjes en grote oren.’
‘Ga naar boven je maakt Sara moe,’ zei ma.
Beledigd ging ik de ladder op.
Zou die vrouw in de gekleurde rok de zus van pa zijn? Was het meisje mijn nichtje?

Na school kwam ma naar me toe. Ze droeg een bundeltje.
‘Je gaat logeren bij je Gromy,’ zei ze en overhandigde mij het bundeltje
Mijn ogen gingen van haar naar het bundeltje en weer terug. Waarom moest ik logeren bij Gromy?
‘Dat is beter,’ zei ma.
Ze schudde haar hand als teken dat ik het bundeltje aan moest nemen.
‘Gromy woont dichtbij je school en en het is maar voor een paar dagen. Daarna kom je weer thuis en is Sara beter.’
Ik slikte en ging naar Sara toe. Het bundeltje drukte ik tegen me aan. Sara lag witjes voor zich uit te kijken, haar handen plukten aan de paardendeken.
‘Saartje,’ fluisterde ik.
Haar ogen bleven gesloten, maar haar hand bewoog. Wat waren die handen wit bijna blauw! Ik dacht aan de hooiwagens die door die handen zo vaak geteisterd waren.
‘Ik ben even weg naar Gromy, maar over een paar daagjes ben ik er weer en zal ik je alles vertellen over school en dan kunnen we weer lachen.’
De hand bewoog even.