De vrouw in de gekleurde rok IV

Toen ik een weekje later terugkwam zaten pa en ma naast de kachel. Vreemd, het was nog vroeg in de middag, maar pa was er al. Hij rookte een pijp en ma breide. Gek, ma vond de plek naast de kachel altijd te donker om sokken te stoppen of te breien en nu zat ze daar.
‘Hoe is het met Saar?’ vroeg ik en draaide me naar de plek waar de matras lag. Het was stil. Ik was gewend aan Sara’s gehoest en geproest. Ik liep naar de plek waar ze lag.
‘Is ze beter? Saar ben je beter?’
Ik voelde me licht worden. De hooiwagens hadden verloren. Ik kwam dichterbij. Op de matras lag een opgevouwen paardendeken. Waar was Sara? Ik draaide me om naar pa en ma.
‘Sara is in de hemel,’ zei pa.
Ma knikte, er spatte iets op de sok, die ze stopte. Ik keek omhoog naar het plafond. Als het hard regende hield het dak het niet en drupte het water naar beneden, maar het regende niet. Ma haalde haar neus op, wreef erover en stak de naald weer in de sok. Haar ogen glinsterden.

Ik was nu alleen met Willem, dat voelde vreemd, bijna zoals De Zon zich voelde zonder zijn wieken. Willem was vrolijk en stond altijd voor mij klaar. Toch een broer was anders dan een zus. Aan wie moest ik nu mijn geheimen vertellen? In bed miste ik haar warmte. Zelfs onze ruzies miste ik en als ik een hooiwagen zag trapte ik hem dood. Het was zijn schuld dat ik nu alleen was.

Ik bedacht een plan waarin de vrouw en het meisje in de gekleurde rokken een rol speelden. Ik vroeg ma naar haar, maar Ma zweeg en keek me kwaad aan. Dus ging ik naar pa.
‘Pa, die vrouw hè?’
‘Wie wat vrouw? Wie bedoel je?’
‘Nou, die vrouw die waarvan ma zegt dat zij jouw zus is, die vrouw in die gekleurde rok. Wie is dat?’
‘Dat zijn zaken voor volwassenen, daar ben jij nog te klein voor.’
Ik maakte mij lang,
‘Nietes ik ben al zes.’
Pa lachte en trok aan mijn oor.
‘Wat je oren betreft wel, wat wil je met die vrouw?’
‘Nou ze is altijd met een meisje, ik wil dat zij mijn zusje wordt in de plaats van Sara.’
In pa’s ogen verscheen een lichtje, het doofde weer snel, maar ik had het gezien. Hij gaf een aai over mijn haar.
‘Het is goed,’ zei hij.

De volgende dag spijbelde ik van school en ging naar de Wegh der Weegen om te wachten tot de vrouw kwam. In mijn gedachten nam ze elke dag die weg. Ma en ik waren haar daar immers ook tegen gekomen toen we naar het bos gingen? Als ik haar zag zou ik naar haar toegaan en naast haar gaan lopen. Misschien was ze nog boos van die keer van de botsing? Ik had mij voorgenomen alles te doen om haar gunstig te stemmen zodat het meisje en ik zusjes konden worden.
In de verte zag ik ze aankomen, de vrouw en het meisje in hun kleurige rokken. Ik hield mijn adem in, boog mijn bovenlijf voorover. Als ze bij het huis met de kleine ruitjes waren zou ik naar ze toegaan nam ik me voor. Ik telde de huizen: 4,3,2… Als een pijl uit de boog schoot ik weg toen ze het bewuste huis naderden. Ik keek de vrouw aan en nam de hand van het meisje. Met z’n drieën liepen we verder.
Niemand zei iets.