Een oude man op de brug, deel II

Foto: Piet Wiegman-De Schim- Online Kunstgalerie
Tulip Art

Ik draaide mijn hoofd naar het huis waar de schim naar wees: de achtertuin van een doodgewoon grachtenhuis. Nou ja, liet ik me nu nog verder bedotten? Het werd tijd weer terug te keren op aarde. Mijn voeten zetten zich af, mijn hand liet de leuning los. Ik zou een flink vaartje maken toen het voorwiel  een oude man raakte. Waar kwam die vandaan? Ik sprong van de fiets, mijn hand sloeg voor mijn hart.  Het mannetje deed een paar passen tot hij voor mij stond. Ik kneep mijn neus dicht. Waar kwam dat kereltje vandaan? Ik wist zeker dat er helemaal niemand liep op de gracht of stond op het bruggetje al de tijd dat ik er was.

Het ventje droeg een jas vol scheuren waardoorheen je zijn botten kon zien, gelig en breekbaar. De sluiting van de jas zat opzij en rafelde bij de polsen, het had een groenige kleur. Zijn broek slobberde om hem heen en had dezelfde groenige kleur, de pijpen hingen in stroken op schoenen waarvan de neuzen loskwamen van de zool. Uit de kraag van zijn jasje rimpelde een gelig nekje, de adamsappel leidde een eigen leven. Hij opende wagenwijd een opening onder zijn neus als een vis die naar adem snakt en ik zweer je, het leek of hij een kraan openzette. Een waterval aan roestig bruin water golfde uit het gat in zijn gezicht. Al snel vormde zich een drabbige plas aan zijn voeten, een beerputwalm kwam op me af. Eindelijk werd de straal minder, hij sloot zijn mond.

Hoe kwam ik hier weg? Hij stond nog steeds voor me. Ik draaide het wiel naar rechts, zette mijn voet weer op de trapper.