Het geheim van de lege gracht (3)


De oude heer kocht het huis van de bank in 1946. Romana kwam, luisterde naar het fluisteren van de palen en de poten, legde de kaarten en zei tegen de oude heer, toen nog een jonge heer :

Zoon, ik heb je gebaard met aan iedere haar een zweetdroppel. Ik blijf in dit huis’.

Dat is goed’, zei de zoon.

Zij installeerde zich in de grote kamer op de eerste verdieping waarvan de ramen uitzagen op de tuin, de gracht en het klooster. Ze dwaalde door de gangen en de kelders, van de zolder tot in de keldergewelven. In de tuin over de brug en weer terug. Bij voorkeur ‘s nachts. Overdag zat zij meestal voor haar raam en keek naar het gedoe in de kloostertuin. Bij mooi waren de nonnen er ijverig bezig. Als vliegen zoemden zij om een rode figuur, die breeduit geinstalleerd was op het grasveld onder een oude beuk. Zij legden plaids op zijn benen, brachten hem sapjes en zongen hem toe. De broze man leek wel gelukkig met zoveel vrouwelijke aandacht en zorg. Voorzover Romana kon zien, grijnsde hij genoegzaam en sloeg met een hand de maat als de nonnen zongen. Ze drukte haar hoofd tegen het raam, vertrok haar nek, waar was de andere hand? Als ze het niet dacht. Dichtbij hem stond een fris nonnetje de sopraanpartij te zingen. Weer zo’n prelaat, die het goed voor elkaar heeft. De zigeunerin snoof minachtend en bracht haar gedachten naar de lamp die zij voor die nacht zou meenemen naar de gewelven. Zat er nog wel genoeg petroleum in?

Als zij niet voor het raam zat, had zij er plezier in om langs de tuin te lopen en luid verwensingen in het bargoens naar de mensen, die daar bezig waren te roepen. Vooral de oude prelaat moest het ontgelden. Haar lange rokken in felle kleuren, haar loslangend vette en nog altijd zwarte haar gingen de competitie aan met de rode prelaat en de zwarte nonnen. De nonnen gingen op een kluitje om een statige figuur staan en wezen naar haar. De zigeunerin zag dat de statige vrouw haar ogen tot spleetjes kneep, haar hand als beschermend op de schouder van de Prelaat legde en hem met haar andere hand een kwast aangaf.

Romana zweeg midden in een mooie zin. Zij draaide zich naar het tafereel in de tuin. Haar ogen fonkelden, zij strekte haar handen. De prelaat legde de kwast neer. De frisse sopraannon nam hem uit zijn handen en zwaaide er mee naar de zigeunerin. Zij draaide zich om, maar niet na nog een luide krachtterm door de tralies van het hek te blazen. De term plofte voor de voeten van de oude man, die achterover viel in zijn stoel. De nonnen werden als zoutpilaren.

Romana ging naar haar zoon: ‘Zoon’, zei zij ‘Zoon, ik wil dat je er voor zorgt dat het water in de gracht hoger staat. De kaarten zeggen mij dat de stutten en palen van het huis dan langer goed blijven, zodat je minder hoeft te investeren in het onderhoud’. De zoon kende de vooruitziende kracht van zijn moeder. Als prominent burger was het voor hem een kleinigheid aan dit verzoek te voldoen. En zo geschiede. Het water in de gracht steeg tot twintig cm onder de kademuur.

Romana wist dat de oude prelaat ’s nachts vaak bij de gracht struinde in de buurt van een eeuwenoude eik, die met zijn dikke stam een deel van de wal in beslag na. Als ze terugkwam van haar nachtelijke inspecties en geruzie met de palen in het gewelf, zag zij hem daar bezig.
Al die mensen die maar bij die oude vent op bezoek kwamen, zijn ring kusten, zijn lof spraken, nonnen die rondom hem zwermden, moeder overste die haar liet wegjagen wanneer zij in alle onschuld voorbij de tuin slenterde en een beetje in zichzelf praatte. Alsof zij een vreemd insect was !

Ze sloot vrede met de palen, die haar de laatste roddels en nieuwtjes toefluisterden. De stutten wilden niet buitengesloten worden, zegden hun medewerking toe.