Het geheim van de lege gracht (4)

D

Zeker honderd jaar geleden werd pa opgeroepen voor het leger. Hij moest strijden als soldaat bij de infanterie. Was dat niet de Tiendaagse Veldtocht? Hoe oud was ze toen, twaalf, dertien? Het was augustus en bloedheet. Zij en ma gingen mee om voor hem te zorgen. Voorop marcheerden de troepen en officieren met vaandels voorafgegaan door trommelaars, gevolgd door wagens vol vrouwen, kinderen, kippen, geiten en ander vee. ’s Avonds bivakkeerden ze in een tent, die ma en zij samen opzetten. Pa kwam moe en modderig van de strijd en viel aan op de soep die ma bereid had. Na het eten ging ze op verkenning, liep langs het bivak van de soldaten. Mannen riepen haar na. Er waren jongens  met wie ze een gesprek aanknoopte. Eentje in het bijzonder trok haar aandacht.

Geregeld werd veranderd van kamp. Soms moesten ze terug en soms vooruit. Ma en zij braken de tent op en zetten hem weer neer. In Poppel  vond pa brood en wapens en geld. Dat kwam goed van pas.  Eens brak het wiel van hun wagen, zij en ma bleven achter in de blakende zon. Het was midden op de dag.
‘Kijk daar,’ riep ma en wees naar een torenpunt, die boven de bomen uitstak, ‘dat dorpje kwamen we net door, daar is misschien hulp. Ga jij, dan wacht ik hier en zorg dat boeven er niet vandoor gaan met onze spullen.’

Het was nog een heel eind naar het dorpje.  De hoofddoek plakte, vochtige pieken prikten in haar ogen, ze veegde ze ongeduldig weg. Haar voeten deden pijn op de ongelijke keitjes.  Kleine huisjes stonden onaangedaan in een rij langs de straat. Hier daar was een huis kapot of een dak was eraf, de ramen waren stuk. Het was stil, een argwanende stilte. De kerels vochten natuurlijk, maar waar waren de vrouwen?  Hier en daar bewoog een schim achter een kapot geschoten raampje, een kleine jongen stortte naar buiten. Hij keek haar aan, ze liep naar hem toe, opende haar mond, wilde iets zeggen. Voordat ze ook maar iets kon vragen, riep een stem hem binnen. De jongen aarzelde, de stem riep nogmaals, gebiedend nu. Hij draaide zich om. De deur klapte dicht.
Bij het kerkje was het stil op het ruisen van een beuk naast de pastorie na.  Als je goed luisterde kon je in de verte het tromgeroffel nog te horen. Hoe zou het met ma zijn, zo helemaal alleen in deze hitte? De grote deur van het kerkje ging piepend open, een koele wierook- en zweetlucht kwam haar tegemoet. Ze liet de deur los en liep naar het middenpad, ademde diep in, veegde langs haar hals. In een hoek, naast een beeld, hing een bakje. Ze liep er naar toe, dompelde haar hand erin.
‘Wat doe jij daar?’
Ze sprong een meter in de lucht. De man achter haar lachte.
‘Dat is heilig water, dat mag je niet drinken.’
De man droeg een lange zwarte jas met allemaal knoopjes. Hij had een vriendelijk blozend gezicht. Ze keek naar haar hand, draaide hem om. Heilig water? Dat zou je toch moeten zien? Ze voelde aan haar hals die ze verfrist had met het water op haar hand. Niks bijzonders, gewoon lekker fris. De man keek belangstellend toe, zijn ogen gingen langs haar lijf.
‘Het heil van dit water komt later,’ zei hij.
Dat zal wel, dacht ze. Ze glimlachte. Als ze lachte kreeg haar gezicht een bijzondere glans, haar ogen lichtten op werden van zwart goudkleurig. Ze kende de uitwerking van haar ogen op mensen in het bijzonder mannen.
‘Wilt u me helpen?,’ zei ze, ‘mijn ma wacht op me verderop, het wiel van onze kar is gebroken.’
Ze keek hem aan, wiebelde op een voet, legde haar handen op haar rug.
‘Houd op met dat gewiebel kind,’ zei hij, ‘ga mee naar de sacristie.’
Hij pakte haar arm. Zeker hij zou haar helpen, licht liep ze met hem mee. Haar voeten deden geen pijn meer. In de sacristie begon hij langzaam zijn soutane los te knopen.
‘Trek dat hemdje eens uit,’ zei hij, ‘het is warm hier.’
Hij tilde haar rok op, zijn hand verdween onder haar hemdje. Ze keek naar de deur, dacht aan haar ma, die onder de kar zat ter bescherming tegen de zon en het zeker niet lang meer zou volhouden.

Het was al donker toen de pastoor haar meenam naar een huis waar een meisje van een jaar of tien het bevel kreeg een wiel uit de schuur te halen en haar dat te geven. Het meisje keek haar recht aan toen ze haar het wiel gaf. Romana voelde zich vies, ze had zich niet kunnen wassen. De man had toen hij zijn soutane dichtgeknoopte gezegd,
‘Nou schatje, wil jij niet liever hier dienstbode worden?’
Ze had niet geantwoord.
De man aaide over haar hoofd, met dezelfde hand waarmee hij haar had ontkleed en gepakt.
‘Als je je bedenkt, je bent welkom,’ zei hij.

Het wiel was zwaar, het sleepte over de grond. Ze verwisselde van arm, stond even stil, al snel deden beide haar armen even pijn. Als ze eens ging liggen op dat wiel en ging slapen. De dag was overgegaan in de nacht. De maan verlichtte het veld met haar zilveren glans viel op een paar bomen,die hun takken naar boven uitrekten. Wanhopig, net als zij wanhopig. Telkens als ze wilde gaan liggen, dacht ze aan haar ma, hoe ze op haar wachtte aan  de liefkozingen die zij zeker zou krijgen. Ma zou haar in haar armen nemen en de melodie neurien van dat liedje over die dieren en vogels, haar overal kussen. Dan zou ze het vergeten. Daarna konden ze het wiel verwisselen en verder gaan. Ze veegde over haar ogen. Daar zag ze de contouren van de kar. Ma lag stil onder de wagen, ze sliep zeker. Ze besloot het haar niet te vertellen.