Het geheim van de lege gracht (4)

D

Haar pa was opgeroepen voor het leger. Hoewel hij niet zo jong meer was moest hij mee als soldaat bij de infanterie. Was dat niet de Tiendaagse oorlog? Het was bloedheet. Zij en ma gingen mee om voor hem te zorgen. Ze keek haar ogen uit. Voorop marcheerden de troepen en officieren met vaandels voorafgegaan door trommelaars. Ze werden gevolgd door wagens vol vrouwen, kinderen, kippen, geiten en ander vee. ’s Avonds bivakkeerden ze in een tent, die ma opzette. Pa kwam moe en modderig van de strijd en viel aan op de soep die ma bereid had. Na het eten ging ze op verkenning, langs de andere tenten, de soldaten. Mannen riepen haar na. Er waren jongens  met wie ze een gesprek aanknoopte. Eentje in het bijzonder trok haar aandacht. Al snel verboden haar ouders haar ’s avonds weg te gaan.
‘Dat rondzwalken tussen vreemd volk is niets voor een jong meisje,’ zei pa.
Mokkend schikte ze zich in haar lot.

Eens brak tijdens een tocht het wiel van hun wagen, zij en ma bleven achter in de blakende zon.
‘Kijk daar,’ riep ma en wees naar een torenpunt, die boven de bomen uitstak, ‘dat dorpje waar we net doorkwamen, daar is misschien hulp. Ga jij, dan wacht ik hier.’

Ze moest een heel stuk teruglopen naar het dorpje. De hoofddoek plakte, vochtige pieken prikten in haar ogen, ze veegde ze ongeduldig weg. Haar voeten deden pijn op de ongelijke keitjes. Het was stil, een ongemakkelijke stilte, die argwanend maakt. De kerels waren natuurlijk in de oorlog, maar waar waren de vrouwen? Ze keek om zich heen. Hier en daar bewoog een gordijn, een kleine jongen stortte naar buiten. Hij keek haar aan, ze liep blij naar hem toe, opende haar mond, wilde iets zeggen. Voordat ze ook maar iets kon vragen, riep een stem hem binnen. De jongen aarzelde, de stem riep nogmaals, gebiedend nu. Hij draaide zich om. De deur klapte achter hem dicht.
Bij het kerkje was het stil op het ruisen van een beuk naast de pastorie na. Van het leger was als je goed luisterde heel in de verte het tromgeroffel nog te horen. Hoe zou het met ma zijn, zo helemaal alleen in deze hitte? De grote deur van het kerkje ging piepend open, een koele wierook- en zweetlucht kwam haar tegemoet. Ze liet de deur los en liep naar het middenpad, ademde diep in, veegde langs haar hals. In een hoek, naast een beeld, hing een bakje. Ze liep er naar toe, dompelde haar hand erin.
‘Wat doe jij daar?’
Ze sprong een meter in de lucht. De man achter haar lachte.
‘Schrik niet, maar dat is heilig water.’
De man droeg een lange zwarte jas met allemaal knoopjes. Hij had een vriendelijk blozen gezicht. Ze keek naar haar hand, draaide hem om. Heilig water? Dat zou je toch moeten zien? Ze voelde aan haar hals die ze verfrist had met het water op haar hand. Niks bijzonders, gewoon lekker fris. De man keek belangstellend toe, zijn ogen gingen langs haar lijf.
‘Het heil van dit water komt later,’ zei hij.
Dat zal wel, dacht ze. Ze glimlachte. Als ze lachte kreeg haar gezicht een bijzondere glans, haar ogen lichtten op werden van zwart goudkleurig. Ze kende de uitwerking van haar ogen op mensen in het bijzonder mannen.
‘Ik zoek hulp,’ zei ze, ‘mijn ma wacht op me, het wiel van de kar is gebroken.’
Ze keek hem aan, wiebelde op een voet, legde haar handen op haar rug. Zou deze man kunnen helpen?
‘Houd op met dat gewiebel kind,’ zei hij, ‘ga mee naar de sacristie.’
Hij pakte haar arm. Zeker hij zou haar helpen, licht liep ze met hem mee. Haar voeten deden geen pijn meer. In de sacristie begon hij langzaam zijn soutane los te knopen.
‘Trek je hemd uit,’ zei hij, ‘het is warm hier.’
Hij tilde haar rok op, zijn hand verdween onder haar hemdje. Ze keek naar de deur, dacht aan haar ma, die onder de kar zat ter bescherming tegen de zon en het zeker niet lang meer zou volhouden.

Het was al donker toen de pastoor haar meenam naar een huis waar een meisje van een jaar of dertien het bevel kreeg een wiel uit de schuur te halen en haar dat te geven. Ze voelde zich vies, ze had zich niet kunnen wassen. De man had toen hij zijn soutane dichtgeknoopte gezegd,
‘Nou schatje, wil jij niet liever hier dienstbode worden?’
Ze had niet geantwoord. Ze was twaalf, ze was ze lam geslagen.
De man aaide over haar hoofd, met de hand waarmee hij haar had ontkleed en beetgepakt.
‘Als je je bedenkt, je bent welkom,’ zei hij.

Het wiel was zwaar, het sleepte over de grond. Ze verwisselde van arm, stond even stil, al snel deden beide haar armen even pijn. Als ze eens ging liggen op dat wiel en ging slapen. De maan verlichtte het veld haar zilveren glans viel op een paar bomen,die hun takken naar boven uitrekten als in wanhoop. Telkens als ze wilde gaan liggen, dacht ze aan haar ma. Ze dacht aan de liefkozingen die zij zeker zou krijgen. Ma zou haar in haar armen nemen en de melodie neurien van dat liedje over die dieren en vogels, haar overal kussen. Dan zou ze het vergeten. Daarna konden ze het wiel verwisselen en verder gaan. Ze veegde over haar ogen. Daar zag ze de contouren van de kar. Ma lag stil onder de wagen, ze sliep zeker. Ze besloot het haar niet te vertellen.