Hij hangt me de keel uit..

Madame Poupoule at Her Toilette by Henri de Toulouse-Lautrec

In de deur voor de woning zit een oude vrouw, een paar koters spelen aan haar voeten.
‘Ik kom voor Annie,’ zegt Meek
‘Annie wat?’
‘Gewoon Annie.’
‘Annechien, die woont achter.’
Het mens schuift een beetje op en Meek loopt naar binnen een donker gangetje door met aan het einde een deur. Langzaam duwt ze die open. Ze ontwaart een tafel met drie stoelen, een ervan heeft drie poten en een gat in de rieten zitting. Op de derde stoel zit een gestalte, die een glaasje naar haar mond brengt. Vettig zwart haar valt over haar ogen en in haar mond, ze veegt de lokken weg. Bij die beweging dreigen een paar volle borsten te vallen uit de opening van haar ochtendjas, die met een touw strak om haar middel is gebonden.
Annie tilt haar hoofd op en kijkt de indringster zo vriendelijk lodderig aan, dat Meek afziet van haar voornemen haar de ogen uit te krabben. Annie’s arm beweegt naar de fles, haar borsten golven mee, de linker ontsnapt uit haar jas.
‘Wat motje?’
‘Ik ben Meek en ik kom voor…’
‘Ha, je kompt voor Joes, jullie zijn al vrienden sinds….’ ze hikt, wijst naar de fles, ‘neem een glaasje.’
Ze buigt naar voren om een glaasje te pakken, dat op een hoek van de tafel staat, de rechter borst bevrijdt zich. Ze reikt Meek het volle glaasje aan, haar borsten wiegen mee.
Meeks ogen zuigen zich vast aan de sneeuwwitte bollen. Had zij maar van die memmen. Ze neemt een slokje brandewijn, het glijdt heet door haar slokdarm en plonst in haar maag. Die roert zich, sinds vanochtend heeft ze niets meer gegeten.
”Ja, al vanaf mijn veertiende, Joes was vijftien.’
‘Ik weet het.’
Hoe weet ze dat, heeft Joes haar dat allemaal verteld? Ze is eigenlijk best aardig, Meek neemt nog een slokje.
‘Waar is hij?’
‘Waar zou hij zijn, in Leuven op de kermis natuurlijk.’
Leuven, dat is ver weg, te ver om hem op te zoeken. Vanavond moet ze weer mee terug met de groenteman. Ze kijkt om zich heen, behalve het schilderijtje ziet ze nik herkenbaars. Waar zou Annie haar atelier hebben en die naaimachine waar zou die zijn? Alsof ze haar gedachten geraden heeft zegt Annie,
‘Dat atelier toen dat was niet van mij, ik verving de bazin, die naar Charleroi moest.’
‘Wist Joes dat?’
‘Welnee.’
Annie kijkt tevreden naar haar glaasje en schenkt zich nog eens in, ‘hij hangt me de keel uit met zijn gezeik.’
Meek zwijgt, Annie neemt nog een slokje.
‘Ik dacht, dat je voor hem kwam, je ken hem meenemen hoor, hij is niks waard. Geldelijk gezien dan, vroeger bracht hij regelmatig geld binnen, maar tegenwoordig is het armoe troef.’
‘Werk je niet meer?’ vraagt Meek.
Annie’s borsten schommelen Meeks kant op.
‘Je ken met me mee naar mijn Huis, je ziet er goed uit, je moet wel iets aan je kleren doen.’
Twee enorme paarse nippels priemen in Meeks richting. Meek staat op van haar stoel, doet een stap naar achteren, grijpt zich vast aan de deurstijl.
Een Huis? Meek weet genoeg, ze pakt de deurstijl nog wat steviger vast, de brandewijn heeft zijn werk gedaan.
‘Zeg maar aan Joes dat ik hem nooit meer wil zien.’ lalt ze, dan valt haar oog op het schilderijtje in de hoek. Ze loopt er naar toe, houdt zich vast aan de stoel, de tafel, aan Annie, voelt haar warme vlees, doet een grote stap naar de muur en grist het doekje van het haakje. Ze voelt de opluchting als een vloed door zich heen gaan, het bezit van het schilderijtje verlost haar van Joes. Ze neemt het doekje onder haar arm,
‘Neem maar mee hoor, ik vin er niks an.’
Annie is ook gaan staan, ze doet de jas dicht. Haar mond is vertrokken in een grijns, over haar linkeroog loddert een ooglid.
‘Neem Joes ook maar mee als je hem ziet. Mij komt hij de keel uit,’
Ze pakt het glaasje van tafel. Meek trekt de deur achter zich dicht.