Maestro Wie? Maestro Wat?

Toeristen! Links en rechts, en voor, en achter, en daar een hele rij, het remt af, ik moet verder, ik moet voort.

Ik weet het, ik ben ook een toerist, maar anders, een toerist met een doel, een toerist die weet wat ze wil, die rent waar anderen stilstaan.

Hoog toornen de gebouwen. Reusachtige reclameborden knipperen. Flitsen! Van boven naar beneden glimmen de benen van een model. Wat ze aanprijst? Geen idee, het gaat om het glimmen, de aandacht.

Ik wil hollen, vliegen, maar het is vol, te vol met mensen. Als door stroop ga ik door ze heen,  bots en duw, maak gebruik van gaatjes in de massa, bereik een plein, een reusachtig plein, toch is het klein. Op stoeltjes zitten zij, praten, eten, werken, laptop open, vingers op gsm. De gezichten serieus. Ik kijk, ik zie niet. Voort en voort ga ik. Langs bedelaars, verlopen, mager. Langs theaters, nog niet in leven. Hoog fronsen de gebouwen  neer op hun schaduw. Ik trek mijn sjaal aan. Een kluwen toeristen vertraagt. Moddervet, wiegelend, waggelend gaan zij voort, kauwend op een bleek broodje waar iets uit kleddert, iets bruin sappigs.

Een woord dreunt door mijn hoofd: Maestro. Bij iedere stap: Maestro. Nooit eerder klampte ik mij vast aan Maestro. Nu wel, nu gaat het om: wel of niet uitgaan. Maestro, mijn heer en meester! Maestro, de beheerder van mijn geld. Hij wordt mijn vriend, hij mag mee uit eten, als’ie doet wat ik wil! Weten is eten, is leven, is haast om te weten. Hij moet doen wat ik wil, daarvoor is het Maestro.

Zo ver is het niet, gewoon op een hoek na twee of drie blokken. Daar deetie het wel mijn Maestro, daarna niet meer. Twee blokken? Drie toch, godsamme.

Stop! Voetgangerslicht… rood. Ene been op andere, …groen. Ik spuit de straat over, taxi stopt, mensen stappen in, blokkeren mijn gang. Ik ren over, duw, ‘excuse me’, ‘excuse me’. Opzij. Op de hoek glanst glas, daar is hij: Maestro. Ik houd mijn vingers gekruist. Zijn logo staat op de zijkant, ik vlieg, stop hem in het laatje, de flappen gutsen uit zijn mond, ik vang ze op, ontkrul mijn vingers.

Ik wist het.

Licht en luchtig glijd ik door de mensen, zak neer op een rood stoeltje aan een rood tafeltje op het gigantische plein dat klein is, kijk omhoog naar vriendelijk omwolkte gebouwen, bestel een drankje. Leg een paar flappen neer, strijk met mijn wijsvinger over een biljet alvorens het verdwijnt. ‘Maestro, dat had je nou niet moeten doen,’ fluister ik hem na,’ je verstoppen in een andere wereld. Anders ben je zo groot en zichtbaar, ik ben blij dat ik je hier heb gevonden. Ik wil je nooit meer kwijtraken.