Oom Aert

Oom AertHij haalt de sabel uit het gevest aan zijn zij en begint er mee te zwaaien. Snel spring ik opzij, die man is van lotje getikt. Een Kozak komt aanrennen en springt over het zwaard, sneller en sneller, steeds sneller. Het publiek, want plotsklaps staan er allemaal mensen om hen heen, klapt ritmisch in zijn handen, vlugger en vlugger, steeds vlugger.
Ik loop in een gang met allemaal deuren, de man met de sabel staat voor een er van, de Kozak staat voor een ander. Als ik langs de Sabelman loop draait hij zich naar mij toe.
‘Ik ben je oom’, stelt hij zich voor, ‘wat vind je van mijn feestje?’
Ik neem oom eens op, hij draagt een zwart kort jasje met een leren riem, een ruime broek met laarzen en om zijn nek zit een kanten kraag. Hij heeft lang pluizig haar en een grote neus. Ondanks dat lange haar ziet oom er heldhaftig uit.
‘Dat ben ik ook, ik ben een held, een vlootvoogd’, leest hij mijn gedachten, ‘ Als die vervelende Willem van Oranje er niet was geweest, dan was ik admiraal, die kerel heeft alle eer en geld voor mijn neus weggekaapt. Hij moest zo nodig bezuinigen’, woedend slaat hij met zijn hand tegen de deur, die langzaam open gaat. Achter de deur dondert een woeste zee, waar een aantal schepen op kolkende golven slag leveren. Ik hoor kanonnen bulderen en zie de rook van zwart geblakerde wrakken, die langzaam wegzinken in een kolkende zee. Lichamen komen voorbij, zij heffen wanhopig hun armen, een er van is ja, ik zie het goed, het is oom.
‘Dat klopt niet’ zegt oom en kijkt mij vriendelijk aan met kleine blauwe oogjes’ want kijk hier ben ik in levende lijke, kom ik zal je feestje niet bederven we gaan weer naar de zaal’
Hij geeft mij een mooie rode bokaal, gevuld met een drank die donkerrood kleurt als ik de kelk draai.
‘Drink, zegt hij ‘en vergeet, maar vergeet mij niet’. Ik breng de kelk naar mijn mond en probeer te drinken, maar het is zo’n grote schaal dat het lang duurt voor het vocht bij mijn lippen is, ik houd de kelk steeds hoger, het sap glijdt langs mijn kin in mijn jurk, die, ik zie het nu pas, een heel wijde rok heeft met een strak lijfje dat bovenaan uit wit kant bestaat, althans het was wit nu is het rood van de wijn.
‘Geeft niet’ zegt de Kozak, die de plaats van oom de Sabelman alias Vlootvoogd heeft ingenomen, ‘er zijn nog veel meer jurken. Waar het om gaat is de ontmoeting’, hij wenkt een schenker die uit een grote kristallen kan mijn bokaal zo vol schenkt met rode wijn als de Rode Zee diep is.
‘Jammer, dat je weg liep zojuist in de gang, ik had je ook graag een beeld gegeven naar het verleden’
‘Bent u ook familie?’ vraag ik,
‘Ik ben een oom van grootmoederskant, zij kwam van de Balkan’.
‘Ik vind het fijn u allemaal eens te ontmoeten, maar is het niet eigenaardig. U leefde eeuwen geleden en bent toch al lang dood en nu ontmoet ik u hier in een feestzaal. Ben ik dan ook dood?’
‘Tijd is betrekkelijk nicht, ik ben blij dat onze grootmama je deze jurk heeft gegeven, je zag er niet uit in dat korte ding dat je aan had. Is iedereen zo gekleed in jouw tijd?’
‘En hoe is het met de vloot?’, de Vlootvoogd breekt autoritair in in ons gesprek, de Kozak vervaagt.
Die gedaantewisselingen beschouw ik als normaal, zonder enige moeite schakelen mijn hersenen van de XVIe naar de XVIIIe eeuw.
‘Die bestaat niet meer, althans niet meer zoals in uw tijd oom Vlootvoogd. Er is nog wel een oorlogsbodem naar u genoemd en een heus fregat luistert naar uw naam. Tegenwoordig echter wordt er vanuit de stoel gevochten oom, in heel andere kleding en wordt er erg bezuinigd op defensie’.
‘Defensie, heet dat defensie’, buldert oom, ‘in mijn tijd was het gewoon oorlog en de schepenen van Amsterdam maakten de dienst uit, die bezuinigden ook altijd de krentenwegers, daar heeft De Ruyter nog wel het een en ander mee te stellen gehad, ik ook trouwens’.
De Kozak schijnt weer in hem door en leidt mij naar de dansvloer waar wij een heel ingewikkelde dans uitvoeren samen met een honderdtal andere dansers.
‘Zijn dat allemaal familieleden?’
‘Je moet niet zoveel vragen, maar accepteren, genieten van het moment en niet nadenken over wie wat is of waar’, de Kozak neemt mijn hand en wij zakken neer op twee kleine gouden stoeltjes die naast de dansvloer staan. Mijn rok bolt wijd uit en neemt een deel van de vloer in beslag, niemand trekt zich er iets van aan, in het voorbijruisen knikken de dames vriendelijk naar mij en de heren knipogen.
‘Iedereen ziet er gelukkig en gezond uit’
‘Dat zijn ze ook’
‘Maar ze zijn dood’
‘Wie zegt dat?’
‘Dat staat in onze boeken en op grafstenen’
‘Kijk om je heen bet-achternichtje, zie je ons hier niet allemaal gelukkig en blij jouw komst vieren. Okay het moest zo nodig in de kledij van de XVIe eeuw, op order van je oom Aert van Nes, de vlootvoogd, die nog steeds denkt de dingen naar zijn hand te kunnen zetten en op een bepaalde manier kan hij dat ook, want veel mensen lezen over hem, denken dan aan hem en als er aan je gedacht wordt ben je nog lang niet dood en heb je nog macht, maar wij allen zijn niet denkbeeldig’.

Ik trek de gordijnen open en zie de blaadjes van de bomen wuiven in de wind. Onder de bomen staan auto’s geparkeerd. Het is nog vroeg, maar de vogeltjes kwinkeleren feestelijk. In een voorbij drijvende donkere wolk zie ik het gezicht van mijn oom, die mij toeroept,
‘Denk aan ons, dan blijft het leven een feestje, dat zul je zien’, hij knipoogt en drijft verder.
Ik doe mijn ogen stevig dicht, tel tot tien en open ze weer, de bomen blijven groen, de auto’s blijven staan en de vogeltjes fluiten vrolijk verder. Ik buig mij naar voren, zoek de wolk en zwaai hem uit op zijn tocht naar de eeuwigheid.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s