Schoolfeest, sweet sixteen

‘Wie neem jij mee naar het schoolfeest?’
‘Peter, denk ik, een kanjer bij ons in de buurt en jij?’
‘Hij is toch wel katholiek hè, anders mag hij niet naar binnen van de nonnen.’
‘Hoe weet jij dat?’
‘Haha, als hij is niet katholiek is, dan mag hij niet binnen haha.’
Ze lacht en lacht. Ik trek eens aan haar haar, zij trekt aan het mijne. Ik geef haar een klap, zij geeft mij een stomp en voor wij het weten rollen we samen over de grond. Klasgenoten gillen en lachen,
‘Zet m op, geef van ‘m van watje.’
Wat nou van Watje? Ik zal ‘r van Watje! Ik geef mijn tegenstander een ferme schop, zodat zij hinkend over het plein rent.
Haar vriendinnen rennen met haar mee, mijn publiek omarmt me.
‘Dat heb je ‘m maar weer eens flink geflikt’.

Op weg naar huis vraag ik mijn vriendin:
‘Weet jij dat? Moet die jongen, die we meenemen naar het feest katholiek zijn?’
‘Ik denk het wel’, zij knikt bedachtzaam,’de nonnen willen het weten als hij niet van ‘ houtje is. Er komen ook nog gozers uit Zeist van die katholieke school daar.’

Het was in het vierde jaar van de middelbare school. Ik zat op een meisjesschool bij de zusters Van Het Heilig Hart. Vrouwen en meisjes vulden het gebouw, de geschiedenisleraar en de tekenleraar waren de enige wolven in de schaapskooi.
Op een schooldag in september ruiste de hoofdnon het lokaal binnen. Wij rezen op van onze stoeltjes, dat veroorzaakte een hoop gestommel en geschuif. Dan stonden wij kaarsrecht. De brede zwarte gestalte keerde zich statig naar de klas, een groot zilveren kruis aan een bruine kralenketting bungelde aan haar zij, haar witte handen waren ineen gevouwen, de kap zat strak om een bleek gelaat. Een handgebaar en wij daalden weer.
‘Goedemorgen meisjes’
‘Goedemorgen soeur Angélique’, zongen wij.
‘Het einde van het jaar nadert en ik heb een verrassing. Wij geven met Kerst een feest, een schoolfeest. Jullie mogen allemaal een vriendje meenemen als je dat wilt, maar er komen ook jongens van De Breul. Als je een vriend meeneemt moet je een formulier invullen. Je kunt het halen op de Administratie. Nog vragen? Nee, Goedemorgen meisjes.’
Wij rezen en daalden.

Ik dacht aan het vriendje dat ik zou vragen.De afgelopen winter tijdens de strenge vorstperiode, schaatste ik vaak met een leuke jongen. Peter heette hij. We waren samen naar feestjes gegaan. Toen het ging dooien was de klad gekomen in onze relatie. Ik zag hem weer toen hij op zijn Puch kwam aanknetteren bij de buren een paar weken geleden.
‘Iedere woensdagavond werken wij samen aan een project’, zei de buurjongen toen ik hem ondervroeg. Hij ging uitgebreid in op de details van het project, maar dat interesseerde mij geen snars. Die godenzoon had mijn belangstelling. Hem wilde ik vragen voor het feestje. Lang en slank, met gitzwart haar dat in een ontembare kuif naar achteren was gekamd en ogen als donkere poelen waarin ik helemaal verdween als wij zoenden.
Ik had uitgevonden dat hij iedere woensdagavond om een uur of zes bij de buurjongen kwam werken aan de opdracht.
Op een woensdag stond ik ruim vóór zessen buiten aan mijn fiets te frunniken. Het duurde lang voor hij kwam deze keer. Het was vast al over zessen. Waar bleef hij toch?  Mijn moeder keek naar buiten, zij klopte en wenkte.
‘Even mijn fiets’, riep ik en drukte met mijn duim op de achterband met de mimiek van ‘is die nou nog niet hard?’
Gelukkig, daar hoorde ik het geluid van een Puch. Ik boog mij geconcentreerd over mijn fiets.
Het geluid van de brommer kwam steeds dichterbij en reed tenslotte met veel lawaai de oprit op. Het grind spetterde naar alle kanten. Toen hij zo dichtbij was dat ik niet meer kon doen of ik hem niet hoorde, die brommer knetterde als een gek, draaide ik mij naar hem toe,
‘Heeeee Peter! hoe gaat het met jou?’ deed ik.
Hij zette zijn benen op de grond,  de motor liep door.
‘Ha, goed.’
‘Wil je met mij mee naar een feestje?’, tuimelde van mijn lippen. Veel te snel voelde ik. Zo stom, wat moest hij wel niet denken. Ik had mij het gesprek heel anders voorgesteld: eerst zou ik mijn verbazing uitspreken,
‘Hee, wat toevallig, kom jij bij onze buren?’ Dan zou ik beginnen over het schaatsen en de feestjes waar we naar toe gingen, om vervolgens soepel uit te wijden over het schoolfeestje en dat ik iemand mee mocht nemen. Daarna zou ik als vanzelfsprekend zeggen,
‘Goh, waarom ga jij niet mee?’ Dit gesprek had ik een paar keer geoefend in mijn hoofd, maar in mijn zenuwen vergat ik het.
Hij zei echter direct,
‘Jawel hoor’.
Ik verstond zijn antwoord maar half, zei hij echt ja? Ik snelde in gedachten alweer naar de volgde fase. Hoe moest ik doorgaan met de conversatie of wat er voor doorging, want wàt moest ik zeggen? Moest ik nu over het schaatsen beginnen en waarom zei hij niets? Ik was eigenlijk wel uitgepraat. Op een meisjesschool leer je van alles, maar nuttige dingen als praten met een jongen zat niet in het pakket. Mijn moeder redde mij door weer op het raam te kloppen en te wenken dat ik binnen moest komen om te eten. Dus zei ik tam,
‘Nou, zie ik je dan? Kom je mij halen?’
‘Tuurlijk’.
‘Ja’, ik draalde nog even en hij trapte op de pedalen van zijn motor, een luid gebrom kondigde zijn vertrek aan.
‘We spreken elkaar nog wel’, zei hij.

De volgende dag ging ik naar de Administratie en vulde trots het formulier in. Inderdaad werd er naar zijn geloof gevraagd, maar dat was geen bezwaar want mijn ‘goddelijke aap’ had de juiste religie, die had ik hem zojuist gegeven.

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s