Waterloo

foto: Canon van Geertruidenberg

Pa stierf net als ma aan de diarree, die hij had opgelopen door de hitte, of door besmet slootwater of door allebei. In de hospitaaltent waar het rook naar  kots en poep en naar iets weeigs visachtigs legde Bets hem af. Daar lag hij nou mijn vader, eindelijk rust. Altijd was hij bezig. Als hij niet werkte in de kleermakerij, trok hij ten oorlog. Eerst als trommelaar, later als gewoon soldaat bij de infanterie. Napoleon zorgde wel voor strijd.

Vijftien was pa, net zo oud als ik nu toen hij voor het eerst onder de wapenen stond: de aanval tegen de Pruisen, daarna Rusland, dat overleefde hij ternauwernood en hier bij Waterloo moest hij sneven. Wij, ma en ik trokken altijd met hem mee in de eindeloze stoet, die achter het leger aan kwam. Ma stierf tien jaar geleden aan de racekak ergens in Polen, pa parkeerde me bij Bets, die meer halve soldatenweesjes verzorgde. Toen ik klein was ging ik, als het leger even rust had, naar pa toe, eerst met ma later alleen. Dan liet hij me op zijn knie paardje rijden, ik frunnikte aan de koperen knopen op zijn uniform. Na mijn twaalfde zag ik hem steeds minder.

Ik pakte pa’s hand en liefkoosde zijn lange haar, dat zwart vlamde boven zijn bleke gezicht en dacht aan de pa van het paardjerijden. Mijn hand ging van zijn nek naar zijn borst, stopte daar. Ik greep onder zijn hemd. Bets sloeg mijn hand weg, waarna zij haar hand onder zijn hemd stak. Ze maakte iets los, er kwam een lap tevoorschijn. Snel stak zij die in haar schortzak.

‘Bets wat heb je daar, wat is dat?’

‘Ach kind maak je niet zo druk het is gewoon een stukje stof.’

‘Nee, het is belangrijk, geef hier.’

‘Kraai van een meid wil je wel eens rustig doen.’

‘Geef aan mij,’ gilde ik.

‘Ik gooi het niet weg meidje,’ schreeuwde zij terug, ‘hou je rustig. Ik heb je altijd gezegd kalm te blijven en niet zo doldriest, dat gaat je nog eens opbreken dat zul je zien. Denk toch eens na, dit is een vieze zakdoek, die verbranden wij straks met de rest van zijn kleding.’

Na deze tirade stak Bets haar hand nog eens in haar schortzak en voelde aan wat zij zei dat een zakdoek was. Ik ging opstandig aan haar arm hangen.

‘Die zakdoek is niet van jou’, gilde ik, ‘hij was van mijn vader en nu is die van mij.’

‘Je blijft ervan af,’ krijste mijn verzorgster terug, ‘je vader heeft er het zweet van zijn kop mee afgewist. Als jij dat besmettelijk ding aanraakt, dan word je ook ziek. Of wil je jezelf doodschijten net als pa en moe?’

Bets gaf een me een pets, toen hysterisch begon te krijsen. Zij greep me bij mijn haren en sleurde me de tent uit. Ons geschreeuw trok de aandacht. Een aantal mannen, die  van lichte verwondingen herstelden kwamen toelopen.

Bets liet mijn haar los, ik zette onmiddellijk mijn charmes in zoals ik dat de zoetelaarsters had zien doen. Huilend viel ik een van de mannen om de hals, drukte mij stevig tegen hem aan en gierde als een sirene.

‘Zij heeft mijn pa bestolen’.

‘Nietwaar’, ontkende Bets grimmig, luister toch niet naar die griet. Ze liegt, ik help haar haar arme vader af te leggen.’

‘Laat dan eens zien wat er in de zak van je schort zit Bets?’

‘Er zit niets in mijn schort. Luister toch niet naar die slet, die helleveeg, de ondankbare, ik ben altijd wel zo goed voor haar geweest en nu beschuldigt ze mij van diefstal.’

‘Als je niets te verbergen hebt, dan kun je het toch wel laten zien,’ diende mijn dappere soldaat haar van repliek. Er was ondertussen een heus oploopje voor de tent ontstaan en iedereen riep:

‘Ja….., ja……laat zien’.

‘Ik laat helemaal niets zien,’ kijfde Bets. Met dikke tranen vervolgde ze: ‘Wat er in mijn schort zit is van mij en niet van die meid. Luister niet, ze liegt ze wil mijn spullen en ik was nog wel zo fatsoenlijk haar te helpen. Mijn hele leven heb ik haar verzorgd en nu dit.’

Het publiek trok zich niets aan van haar gejammer. De meute begon zich aan haar op te dringen. Toen dat gevaarlijk werd gaf ze toch maar toe en haalde het lapje uit haar zak. Ik stak mijn hand uit, maar mijn soldaat was mij voor en pakte het. Nadat hij het stukje textiel aan alle kanten bevoeld had gaf hij het aan mij.

‘Is dit het?’

Uit dankbaarheid drukte ik mijn borstjes nog steviger tegen hem aan. Terwijl ik mijn lippen tegen zijn hals drukte, liet ik mijn tranen rijkelijk en warm in zijn nek vallen.