Tagarchief: 19e eeuw

BEAM ME UP SCOTTY

foto: Heuvelstraat 1880 Regionaal archief Tilburg

Terug naar Tilburg en Amersfoort in de 19e eeuw

In 180 jaar verandert er het een en ander in een stad maar in Tilburg had de de tijd een zwart gat geslagen in de geschiedenis. Er was in mijn gevoel weinig over van het oude centrum. Meek woonde op Heuvel. Op het Heuvelplein kneep ik mijn ogen half dicht en probeerde mijn voorstellingsvermogen twee eeuwen terug te sturen. Tevergeefs. Ook toen ik ‘beam me up Scotty’ mompelde gebeurde er weinig. Scotty was er niet of had het te druk. Zonder zijn hulp lukte het mij niet een 19e eeuws beeld van Heuvel te krijgen.

Tilburg, de stad waar mijn roman begint en Meek, de hoofdpersoon woont en werkt. Om iets van de geest van de 19e eeuw terug te vinden en de sfeer te proeven ben ik naar die stad afgereisd.
Omdat ik geen beeld kan krijgen duik ik de archieven in. Uit ‘Het geheugen van Tilburg: https://www.geheugenvantilburg.nl/page/14346/ verneem ik dat Heuvel en de Markt beide wat hoger liggen dan overig Tilburg. Er was ook vroeger net als nu trouwens nogal wat bewoning. Men had daar minder last van het water. De Heuvelstraat vormde toen net als nu de verbindingsweg tussen Heuvel en Markt. Het Piusplein was vol waterplassen, en “Het Ven”, zoals het toen heette, had in de 19e eeuw nog twee vennen.

Tot in de 19e eeuw bleef de Heuvelweg in de volksmond Steenwech of Steenweg. De naam Heuvelstraat werd in 1865 voor het eerst schriftelijk gebruikt.

In het regionaal archief vond ik een foto van de Heuvelstraat uit 1880. Verder terug gaat het niet zonder hulp van de beamer van Scotty.

Getagged , , , , , , , , ,

In de vaart der volkeren

Fragment uit deel I van het manuscript Bertje (1905):

keuken

foto: kb.nl

Sinds de industrialisering was de thuiswever niet meer nodig. Mijn grootvader kort Gropy genoemd was eigenlijk overbodig. Zo af en toe kreeg hij nog een opdracht uit de fabriek. Dat was niet voldoende om van te kunnen eten en de huur van het woning te betalen.

Toen Gropy doodging kreeg mijn grootmoeder van de dames van de liefdadigheid poets- en boenwerk in hun grote huizen voor een grijpstuiver. Tot aan het einde van haar leven boende en schrobde Gromy de gangen en zalen van de grote huizen. Om de eindjes aan elkaar te knopen ging ze uit bedelen. Ze had haar plekje op de trap bij de kerk, daar zat ze op zondagen onder een omslagdoek met gaten.

Mijn moeder, die iedere zondag naar de kerk ging en mij meenam, deed net of ze haar niet kende. Met een grote boog liep ze om haar heen. Soms begon Gromy te schelden,

‘Takkenteef, tepelwrat, kapot gewerkt heb ik me voor jou, tietmier, kikkerkut.’

Het enige wat ik goed verstond was die kikker, angstig klemde ik me vast aan ma’s rok. Ma keek schichtig om zich heen, waren er misschien bekenden in de buurt die het schimpen hoorden. Ze pakte mij bij mijn nek en sleurde mij de kerk in. De mensen wisten dat de oude bedelares familie was en gniffelden stiekem, maar in ma’s gezicht deden ze net of ze met haar meeleefden.
‘Je hebt het al zo zwaar en dan nog zo’n bedelares en dief in de familie, goed dat je d’r niet meer ontvangt, je moet op je spullen passen als ze bij je komt,’ teemden ze.
Toen ik getrouwd was en mijn man goed verdiende, stopte ik Gromy af en toe wat toe. Mijn man mocht het niet weten.
‘Ze is niet om aan te zien en,’ hij kneep zijn neus dicht, ‘ze stinkt. Ik wil niet dat ze hier in huis komt.’
‘Zij is mijn Gromy, ze heeft me nodig. Als ik haar nou alleen maar in de keuken ontvang?’
Hij bromde iets onverstaanbaars, zei toen,
‘Ik wil haar niet zien of ruiken in huis.’
‘Ik beloof het je.’
Ik legde een hand om zijn middel, mijn andere hand op mijn hart en keek hem diep in de ogen.

Getagged , , , , , , , ,

Slaapkledij door de eeuwen heen. Deel II: 19e eeuw en daarna

Foto: commons.wikimedia.org Jan Steen

Tot in de 19de eeuw zijn veel huizen overvol. Kleine woningen zijn dat vanzelfsprekend, maar ook de grote patriciërshuizen en de kastelen die nu een indruk van verlatenheid geven, krioelden van het volk. Mensen sliepen met velen in een kamertje, in de keuken, in de gangen, onder de trap, ergens op een bank of op de grond.

Ook de bedden waren vol. Voorname lieden zagen er geen bezwaar in met vreemden in één bed te slapen wanneer ze in een herberg moesten overnachten.

Hedendaagse hotels bestaan tegenwoordig meestal uit afzonderlijke vertrekken voor overnachting. Lokalen waarin men met de anderen sociaal contact kan hebben, maken procentueel slechts een klein gedeelte van de leefbare oppervlakte uit. Vroeger was dit anders. Er was een kleinere of een ander schaamtegevoeligheid, met daarnaast een grotere behoefte aan sociaal contact. Afzondering was niet alleen misplaatst, maar ook gevaarlijk. Men bracht veel tijd door in taveernen, bierhuizen en clubs, ook tijdens de dag. Geleidelijk nemen sommige groepen afstand van deze gemeenschap waarin aanvankelijk iedereen, hoog en laag, edelman en handelaar, samen aan dezelfde tafel aanzat.

In plattelandsherbergen vinden we deze situatie nog. In een statische maatschappij, waarin ieders plaats duidelijk bepaald is, bestaan er geen bezwaren tegen het contact tussen hoog en laag. Het helpt niet wanneer men zich op snobistische wijze aanstelt. Men maakt zich alleen maar belachelijk.

Met de sociale veranderingen ontstond een behoefte aan afstand, aan privacy. Men vindt dan vooral nog gekunstelde toenaderingspogingen van personen die sociaal willen ‘doen’, burgers die zich willen neerbuigen over het gewone volk, sociaalgeëngageerde intellectuelen die uit de hokjes willen stappen.

Alleen in de sociale groeperingen die niet mee (willen) doen met het moderniseringsproces, of die zich uit anticonformisme tegen het burgerlijk patroon verzetten, vindt men nog de vroegere situatie.

Bron:http://www.dbnl.org

Getagged , , , , ,

Van ganzenveer tot computer

foto: Jalta

Het begon met de ganzenveer. Daarna kwam de kroontjespen. De computer, de tablet en de Steve Jobs school waren nog verre toekomstmuziek

De geschiedenis van het Nederlandse onderwijs begon in de 8e eeuw toen de Frankische vorst Karel de Grote een wet uitvaardigde, waarin bepaald werd dat alle Frankische jongens moesten kunnen lezen, schrijven, zingen en bidden. In die periode ontstonden steeds meer kloosterscholen, gesticht door missionarissen uit Engeland, waaronder Willibrord en Bonifatius. Van uitgebreid onderwijs was nog geen sprake. In de 12e eeuw werd bepaald dat elke parochie een schoolmeester moest aanstellen. De door de parochie aangestelde schoolmeester was meestal de koster, die de jongens wat leerde lezen en schrijven. De schoolmeester was zeer streng en lijfstraffen waren toen heel ‘gewoon’.

In de 15e eeuw werden de parochiescholen steeds vaker overgenomen door de steden, die eigen scholen stichtten. In die periode gingen ook steeds meer meisjes naar school. De leerlingen kwamen vooral uit de stedelijke burgerij. Verder kregen kinderen van rijke en adelijke families dikwijls thuisonderwijs van gouvernantes.

Kinderen die tot een lagere klasse behoorden of op het platteland woonden, gingen toen nauwelijks naar school. Zij moesten hard werken; thuis, op het land of de boerderij, en voor school was geen geld. Kinderarbeid was toen heel ‘gewoon’ en gebruikelijk.

Van ganzenveer tot computer en tablet

In de Middeleeuwen leerden de leerlingen schrijven met ganzenveer en inkt. Daarvoor moesten zij goed kunnen lezen en spellen. Dat was zeker niet eenvoudig, want het schrijven met een ganzenveer en inkt diende secuur te gebeuren. De leerlingen leerden eerst schrijven op een wastafeltje.

Dit was een houten of metalen plaatje waarop een laagje was werd aangebracht. Met een stylus, een soort metalen pen, kerfde de leerlingen woorden in de waslaag. (Met een stylus schrijven wij tegenwoordig op een tablet)

Leren schrijven was duur en niet voor iedereen weggelegd. Aan het begin van de negentiende eeuw werd de ganzenveer vervangen door de kroontjespen. Schrijven met een kroontjespen was eenvoudiger. Schrijfles was voortaan een vast onderdeel van het Nederlandse onderwijs. Later werd de kroontjespen vervangen door een vulpen, potlood of balpen, en tegenwoordig steeds vaker door computer en tablet.

Bron: http://www.historien.nl

 

Getagged , , , , , , , , , , , , ,

De zilveren lepel

 

Van wat Meek verdient met haar werk bij de boer moet de huur betaald worden en de bewaarvrouw die op Kaatje past. Er blijft bijna niets over om eten van te kopen. Zo af en toe neemt ze een stuk brood mee van de boerderij en soms ziet ze kans een ei te verdonkeremanen. Als de kippen goed gelegd hebben valt dat niemand op.
Geen cent blijft er over om te sparen voor de zo fel begeerde naaimachine. Het is haar droom daarmee kleding te maken en te verstellen voor de rijkdom in het stadje. De machine zal haar het leven gemakkelijk maken, een goede naam en geld brengen. Dan kan ze een huisje huren en Kaatje naar school sturen.

Ze loopt zo in trans dat ze schrikt van de hond, die tegen haar op springt. Ze weert hem af. Door de onverwachte beweging valt de lepel op de grond.

‘Wat heb je daar?’

Die rot hond! Net nu de zoon van de boer er aan komt, die stiekemerd die altijd naar haar loert, moet dat beest tegen haar opspringen. Snel pakt Meek de lepel op en houdt hem achter haar rug.

‘Wat heb je daar?’

‘Niets.’ Meek schuift een beetje naar achteren, de hond begint weer te blaffen.

Houd je bek wil ze tegen hem zeggen. Ze doet een paar passen bij hem vandaan, de hond blaft en gromt. Hij maakt aanstalten weer tegen haar op te springen.

‘Hou je maar niet van de domme, ik heb het wel gezien hoor,’ de man grijnst, ‘de hond voelt wanneer dieven er met onze spullen van door gaan.’

De boerenzoon loopt om haar heen, Meek draait mee, plotseling schiet hij naar voren, pakt haar bij haar middel en draait de hand waarin de lepel zit hardhandig om.

‘Ja, hoor, als dat moe’s ‘Haags lofje’ niet is’.

Meek klemt haar vingers om de lepel. Een voor een maakt hij ze los. Hij houdt de soeplepel voor haar neus.

‘Wat was je daarmee van plan?’

‘Niets.’

Ze wil in hetzelfde gat zakken waarin ze haar droom ziet vallen. Telkens als ze denkt dicht bij haar doel te zijn, gebeurt er iets waardoor ze weer opnieuw moet beginnen.

‘Dat zal moe niet leuk vinden,’ gaat de kinkel verder, ’ze smijt je de deur uit en dat is nog maar het minste. Ze haalt de veldwachter. Ik denk dat ze dat doet,’ besluit hij.

Hij komt dichter naar Meek toe, zo dichtbij dat ze de grove poriën kan tellen. Ze schuifelt naar achteren. Hij brengt zijn gezicht nog dichter bij het hare ze ruikt pruimtabak en de geur van beesten. Hij trekt haar naar zich toe.

‘Maar als je lief voor me bent, zal ik het moe niet vertellen.’

‘Ja,’ Meek wil een stap naar achteren doen. Hij heeft zijn arm strak om haar middel.

‘We gaan samen daar naar toe,’ hij wijst met de lepel naar de stal.

Hij duwt Meek mee, zijn arm nog steeds om haar heen. In zijn hand glanst het zilver. Wie weet geeft hij hem straks aan mij, denkt ze. Voor haar ogen wenkt weer de naaimachine.

Getagged , , , , , , ,

Op de kermis

Bij de ingang van de tent staat een kerel in een geruite broek. Hij houdt het doek open en kijkt naar Meek, hij maakt een doorloopgebaar. De tent stroomt vol mensen. Als de tent vol is,  gaat de achterflap dicht. De man in de geruite broek verschijnt op de verhoging, die voorin is opgebouwd. Hij houdt een trommel voor zijn borst.

‘Geëerd publiek, wat u nu gaat zien, is een wereldwonder,’ galmt hij en geeft een roffel op de trommel, ‘twee mensen aan elkaar gegroeid voor eeuwig en altijd.’

Hij roffelt nog eens plechtig. Van opzij komt iets aanschuiven. Een mens? Nee, toch niet. Het is een wezen met twee hoofden, die aan elkaar vastzitten. Zitten ze echt aan elkaar vast of belazeren ze de boel?

Meek staat vooraan, haar mond zakt open. Dit heeft ze nog nooit gezien. De Vrouw met de Baard en de Dwerg ja die kent ze wel, ze was zelfs ooit eens bevriend met een Dwerg, maar dit is zo vreemd. Het is een, nee het zijn twee mensen. Het zijn twee-in -een mens, ze zitten aan elkaar vast. Het publiek houdt zijn adem in, het wordt doodstil. De tweeling is gehuld in een levensgrote grijze jurk, die over hen beide heenvalt als een tent. Het mens of het wezen heeft drie benen. De man in de ruiten broek tilt met een trommelstok de jurk op, een flap laat los en valt op de grond. Een zucht stijgt op uit het publiek,

‘Aaaaahhh.’

In de stilte die valt dringen de mensen naar voren, duwen tegen Meek aan, die terugduwt. Ze kijkt naar de linker en rechter zijde van de tweeling, die met elkaar vergroeid zijn, ook hun billen zitten aan elkaar vast. Ze moeten zich omdraaien van de man in de ruiten broek. Hij hanteert een van zijn trommelstokjes om ze te dirigeren in de richting die hij wil. Meek slaat een hand voor haar mond, ze ziet maar één paar billen.

‘Ahhhhhhh,’ zucht het publiek.

‘Maar één kont,’ roept de vlerk die naast Meek staat, ‘dat is makkelijk voor de poeperij.’

Hij slaat zich op zijn dijen, het publiek brult mee, hahaha dat is leuk.

De Ruiten Broek geeft de tweeling weer een tik, zij draaien zich om. Meek kijkt naar hun gezichten. Behalve een staartje haar met een strik erom bovenop hun hoofd zijn ze zo kaal als eieren. Ze kijkt in hun ogen, grote droeve ogen. De een staart in de verte, de ander kijkt naar het publiek. Meek denkt iets te zien glanzen in haar linker ooghoek. Als dit geen traan is, dan heeft ze er zelf wel een. Ze wordt misselijk, kokhalst, draait zich om, duwt tegen de mensen op om haar door te laten. Ze wil hier weg, weg. Dit wil ze niet meer zien, hoe kan het dat zoiets vreselijks bestaat. Het is een monster.

Getagged , , ,

‘Genadebrood’, fragment uit mijn verhaal

foto:wikipedia.org

foto:wikipedia.org

‘Morgen is het zondag dan ga ik naar mijn moeder in Hoogveld, ik heb haar al zo lang niet meer gezien.’
‘Ohh, daarom ben je zo goedgemutst,’ zegt Meek.

Aan tafel in de keuken met de andere bedienden brengt Meek het gesprek op Mietjes moeder.
‘Mietje gaat naar haar moeder morgen.’
‘Jaa,’ zegt Mietje, ‘zo vaak zie ik haar niet, mijn moeder.’
Mietje pakt de reuzel en legt een flink stuk op haar brood.
De deur gaat open en binnen ruist mevrouw, zij kijkt de tafel rond, haar blik stopt bij Mietje.
‘Hoho, het kan wel op al is het lekker,’ bitst ze. Zij pakt de reuzel en bergt die weg in de vliegenkast.
Mietje met haar bruine tanden in de dik belegde boterham trekt haar lippen op. Het brood, dat oud en hard is, verhindert haar door te bijten en omdat mevrouw haar blijft aankijken, verstart ze.
‘Mietje, weet wel dat je van armoe hier bent gekomen en genadebrood eet’, zegt mevrouw. In de stilte die na deze woorden valt, richt ze haar ogen op de jongste bediende.
‘Zijn jullie doof, ik roep en roep, maar er verschijnt niemand’.
De jongen staat zo snel op, dat zijn stoel op de grond valt.
Pak die stoel op en kom mee.’
Mevrouw zwaait haar rokken de deur uit, de jongen in haar kielzog.
Het is stil, Mietje kauwt hoorbaar op haar boterham.
‘Mietje, je broer, is dat die kleine man waarmee je laatst liep?’, vraagt Meek.
‘Hahaha.’ lacht Mietje, ‘nee, hoor dat is Frans m’n broer. Hij komt me zo direkt halen.’

Meek moet eigenlijk eerst de tafel afruimen in de eetkamer, daarna komen de haarden in de woonkamer en de ontvangstkamers aan de beurt, maar ze blijft in de keuken rondscharrelen, pakt een ketel en zet die op de kachel. Ze kijkt naar Mietje, die bezig is de tafel af te ruimen.
‘Kom, laat mij je even helpen.’
Samen halen ze het kleed van tafel en kloppen het buiten uit.
‘Ik zal even de stoep aanvegen, dan kun jij alvast de afwas doen.’ bedisselt Meek.
Als ze bijna klaar is met vegen, ziet ze Mietje zwaaien naar een man met een pet.

‘Ik loop even met je mee, zo gezellig,’ zegt Meek. Ze steekt haar arm door die van Mietje.
‘Ik vind het zo fijn voor Mietje, dat zij naar haar moeder gaat.’ Meek kijkt de man aan. Een paar bleekblauwe ogen vallen in haar bruine kijkers. Hetzelfde bleekblauw als van Mietje, denkt Mees. Ze slaat haar ogen zedig neer als hij ‘Ja’ kraakt.

Broer en zus lopen het tuinpad af, allebei klein en tenger, Mietje loopt een beetje krom en Frans’ benen vormen een O. Geconcentreerd staart Meek ze na en stuurt een gedachte naar zijn hoofd. Bij de bocht in het pad, dat zich om het Huis slingert, draait hij zich om en tilt voorzichtig een hand op. Meek knijpt haar handen tot een vuist, loopt naar binnen, haalt de ketel van het vuur en snelt naar de eetkamer.

 

Getagged , , , , , ,

‘Je kan niks anders’, fragment uit mijn verhaal

re

foto spaansbloed.wordpress.com

foto spaansbloed.wordpress.com

‘Hè, wat doe jij hier?’
Alleen het puntje van zijn neus en één oog zijn zichtbaar door de kier van de deur.
‘Dat zal ik je zeggen, als ik binnen mag komen.’
Meek duwt tegen de deur.
‘Ik ben alleen.’
‘Nou èn, ik zal je niet opeten.’
Met haar handen probeert ze de deur open te drukken, ze heeft het koud. Het is fris voor de tijd van het jaar, een stevig wind blaast zijn kille adem door het straatje. Frans doet een stap achteruit, Meek  valt naar binnen. Wat gek, denkt ze, ik ben toch zijn liefje, waarom doet hij zo achterlijk?

Het is schemerdonker in het kamertje. Frans neemt plaats achter het weefgetouw midden in de kamer. Hij pakt de spoel. Door het zijraam valt een bundel grijs licht op de gebogen figuur, over het gezicht met de wijde neusgaten waaruit een paar gele haren steken, de slappe mond die in een tuit hangt als hij naar beneden kijkt.
Meek zakt neer op het krukje naast de weefstoel.
‘Wil je niet horen wat ik te zeggen heb?’
Zijn soepogen kijken haar aan.
‘Jawel, maar ik ga verder met werken.’
‘Ze hebben gezegd, dat ik een ring gestolen heb.’
Hij kijkt op,
‘Een ring gestolen? Maar dat is heel erg.’
‘Maar dat heb ik niet, ik ben geen dief.’
‘Nou, gelukkig maar.’
‘Ik ben weggegaan,’ zegt Meek
Ze trappelt met haar voeten, haar sloffen maken een dof geluid op de planken vloer. Waarom neemt hij het niet voor haar op?
‘Ik ben weggegaan, zijn ze nou helemaal belatafeld’.
‘Weggegaan? Waarom ben je daar niet gebleven, het is toch goed werk, wat moet je nu?’
‘Wat? Moet ik blijven in een huis waar ze mij voor dief uitschelden! Van m’n leven niet. Ik vind wel weer wat anders.’
‘Daar denk je dan gemakkelijk over, het is een goed huis, het is al mooi dat ze je willen houden en je kan niks anders, hoe moet dat nou verder?’
Meek balt haar vuisten, ze was van plan hem te vragen of ze bij hem mocht blijven deze nacht, maar nu lijkt het haar beter naar pa te gaan.
‘Sukkel, bitst ze, ‘sukkel die je bent, ik weet niet of ik wel met zo’n kwezel getrouwd wil wezen.’
Ze staat zo snel op dat het krukje omvalt. Ze loopt weg, maar het stoeltje bonkt achter haar aan. Meek kijkt achterom, bukt, trekt haar rok los, ‘krak’, geeft het ding een trap en vliegt naar de deur. Buiten gaat ze in een drafje over de gele steentjes langs de grachten naar het terrein waar de wagen van pa staat. Bij iedere stap die ze zet dreunen de woorden van Frans  in haar hoofd: ‘je-kan-niks-anders.’

Getagged , , ,

Satanskind

Als pa in de buurt is, is Trijn poeslief, maar hij heeft z’n hielen nog niet gelicht of ze begint te kijfen.

Pa weet een baantje voor Meek als naaister in een andere plaats, dan kan ze weg bij die heks, maar ziet ze hem ook niet meer.  Meek moet er niet aan denken, maar van Trijn, haar stiefma, wil ze verlost zijn.

Als Meek klaar is met haar werk op de weverij, snaait ze zelf haar kostje bij elkaar, komt pas thuis als ze zeker weet dat pa er is. Soms mislukt dat zoals vandaag vanwege een plotselinge hagelbui, die boven haar hoofd losbarst. Ze rent naar huis en staat  binnen voorovergebogen haar natte haar uit te knijpen als ze een stomp op haar rug krijgt.

‘Ken je dat niet buiten doen?’ hoort ze Trijn zeggen, voordat ze naar adem snakkend in elkaar krimpt. Als ze weer adem heeft draait ze zich om.

Trijn staat met een grijs op haar gezicht, een arm in haar zij naar haar te kijken. ‘Satanskind.’ Trijn spuugt het woord in Meeks gezicht. Een rode golf rimpelt van Meeks tenen naar het kruintje van haar hoofd. Bliksemsnel trekt ze de bezemsteel uit Trijns handen.

‘Kom maar op, mens. Kom maar op als je durft.’

Zij houdt de stok voor zich en danst op haar blote voeten heen en weer. Met haar zwarte haar strak weggetrokken naar achteren in een staart die haar bruine ogen scheef omhoog trekt, heeft ze wel iets van een exotische krijger. Trijn deinst achteruit, valt over een krukje. Rechtop staat Meek en snuift. Wat een naar wijf is het toch met haar snert opmerkingen altijd. Is het haar schuld  dat haar ouders zo arm waren dat ze haar weg moesten geven. De golf zakt en maakt plaats voor het besef dat ze hier niet langer kan blijven. Ze is teveel. Meek gooit de bezem voor Trijns voeten,
‘Hier mens, hier is je stok.’

Ze holt door het laantje met de dikke struiken, die terwijl ze door hun bladeren scheert, fluisteren,
‘Wat is er met je, waarom huil je?’
‘Ik huil niet,’ ze boent in haar ogen, stuift het steegje in, struikelt over de oude bedelares, die haar verwensingen naroept. Ze holt verder tot voorbij de huizen tot ver in het land, daar waar de graanvelden de hemel raken, waar de schemering vertelt dat de nacht eraan komt en waar het ruikt naar vette aarde.

Haar vader is om deze tijd klaar met zijn werk als kleermaker. Zou ze hem vertellen over Trijn. Meek slikt. Als ze weggaat ziet ze pa ook niet meer en zo erg is het allemaal toch niet, eigenlijk met Trijn? Als stiefma in een goede bui is smeert ze wel eens een boterham met reuzel of schenkt een kop thee en ’s winters is het warm in het kot.

Daar komt pa aan, wat loopt hij krom!
‘Dag pa,’ roept Meek, want pa met zijn soepogen ziet niet zo goed.
Ze steekt haar arm door de zijne. De avond vouwt zich om hen heen. Vlakbij huis zijn ze als Meek zegt,
‘Pa, ik dacht dat baantje als naaister in dat plaatsje maar aan te nemen. Je weet wel dat waar die rijke klant van je het onlangs over had. Ik ben al dertien, ik kan dat best.’

Getagged , , , , , , , ,

Aardappeleters

foto: de planteneter.nl

foto: de planteneter.nl

De voeding van de Nederlandse arbeider in de 19e eeuw was zeer karig. De Bosch Kemper noemde haar ‘zeer armoedig’, al voegt hij er de bijzonder geruststellende mededeling bij, dat sterven van de honger zeer zelden voorkomt. Onder de voedingsmiddelen nam de aardappel onbetwist de eerste plaats in gedurende dit gehele tijdperk. Ze werden gewoonlijk met wat azijn en mosterd naar binnen gewerkt in grote hoeveelheden, ook reeds door jonge kinderen, die daardoor veelal klierachtig werden en harde opgezette buiken kregen. Alleen op bijzondere dagen werden de aardappelen met wat olie of vet gesmeerd. Brood werd niet in grote hoeveelheden gebruikt. Tarwebrood kwam in ’t geheel niet in aanmerking, daar de prijs van de accijns te hoog was; de werkman at dus roggebrood (waarop een accijns van 60 cent per 100 pond rustte.)

Vlees was voor verreweg de meeste arbeiders een luxeartikel, dat zij nooit op tafel kwam. Gedurende de eerste helft van de 19e eeuw nam zelfs het vleesverbruik per hoofd van de bevolking af. De afschaffing van de accijns op schapen- en varkensvleesch in 1852 bracht ook enige verlichting; maar het vleesverbruik onder de lagere klassen bleef gering, zodat in 1861 de Gedeputeerde Staten van Friesland zich gelukkig achtten te kunnen wijzen op de vermeerderden invoer van smeer (afval van vlees), dat zo geschikt was om ’t gemis aan vlees te compenseren. Dat vis een geschikt vervangingsmiddel van vlees kon zijn, kwam bij de meeste arbeiders niet op; het was voor velen trouwens te duur, zodat als enig voedsel naast den aardappel dikwijls een goedkoope meelpap in aanmerking kwam.

Naar: L.J Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw

Getagged , , , , , , ,