Tagarchief: geschiedenis

Vertel eens over je dienstje

 

Na afloop van de wandeling kwamen we altijd uit bij mijn grootouders. Gromy zat ineengedoken op haar stoeltje voor het raam. Dekens en lappen lagen slordig op de grond, het aanrecht was rommelig. Ik zat op mijn krukje naast pa en gropy.  De deur naar de tuin stond open. Een windvlaag bracht de geur van kruiden naar binnen.

‘Heeft dat kind haar tong verloren?’ vroeg gromy

‘Daarnet praatte ze nog voluit,’ zei pa, ‘ga eens bij je grootmoeder zitten en vertel over je dienstje.’

Hij draaide zich tot gromy,

‘Ze spreekt Frans met de kinderen van de familie waar ze werkt. Daarom is ze er aangenomen.’

Nou ja Frans? Dat gestoethaspel van mij, dacht ik.

Pa ging wat rechter zitten, knikte naar gromy en trok aan zijn pijp. Mijn gezicht werd warm, de warmte zakte naar mijn hals. Ik hield mijn hand tegen mijn nek.

‘Dat weet gromy toch allang.’

‘Ja,’ kraakte gromy, ‘maar kom eens naast mij zitten en vertel eens. Je komt niet meer mee met je moeder, ik heb je al zolang niet gezien.’

Was gromy niet boos? Door een spleetje van mijn ogen zag ik dat ze naar mij keek, haar zwarte ogen vraten haar hele gezicht op, dat kleiner was dan ik me herinnerde. Ze knikte.

‘Willem pak dat krukje en breng dat kind naar mij toe, uit zichzelf wil ze me niet zien.’

Ze pakte de schelp op, legde hem op haar schoot en wees naast haar. Mijn gezicht en hals moesten donkerrood zijn zo warm had ik het ineens. Ik deed mijn ogen open, haar koolzwarte ogen zogen mij naar binnen. Nee, ik hoefde niet bang te zijn en nee, ze was niet boos, ze was tevreden. Ik zakte neer op het krukje en vertelde.

Getagged , , , , , ,

OLIELAMPEN GEVEN OOK LICHT-1906 (fragment uit mijn roman)

Vrouw met olielamp

Voortaan ging ik vrijwel iedere dag naar Willem. Zijn ziekte betekende dat er geen geld meer binnenkwam, daarom moest Marie, zijn vrouw, op zoek naar werk, dat ze vond op de grachten: iedere dag een werkhuis.

Als de zon maar één zonnestraal naar het plaatsje stuurde pakte Willem een stoel, zette die buiten en bleef zitten tot de zon naar het westen verdween en het te koud werd. Naarmate november vorderde werd de zon bleker, maar dat deerde hem niet, hij ging buiten zitten.

Bij donker werd kwam hij naar binnen. Dan stak ik de lamp aan en voerde het kacheltje cokes.

‘We moeten zuinig zijn,’ zei Marie als ze het zag, ‘petroleum is zo duur en de cokes zijn bijna op.’

‘Ik betaal,’ zei ik.

Morgen moest ik Ger, mijn man, maar voorzichtig vragen om voor cokes te zorgen en om geld voor petroleum. Hij zou wel weer mopperen over de verkwisting van die nieuwerwetse petroleumlampen.

‘Olielampen geven toch ook licht en zijn veel goedkoper.’

Als ik klaar was met redderen ging ik naast Willem zitten en hield zijn benige hand stevig in de mijne, als om te verhinderen dat hij ons zou verlaten. Hij probeerde nog steeds vrolijk te zijn wanneer hij mij zag, grapjes te maken en verhalen te vertellen. Dan raakte hij buiten adem en viel naar adem snakkend achterover in zijn stoel.

‘Stil toch Willem.’

Ik streek met een grote zakdoek over zijn gezicht dat nat was van het zweet.

Getagged , , , , , , , , , ,

Op de kermis

Bij de ingang van de tent staat een kerel in een geruite broek. Hij houdt het doek open en kijkt naar Meek, hij maakt een doorloopgebaar. De tent stroomt vol mensen. Als de tent vol is,  gaat de achterflap dicht. De man in de geruite broek verschijnt op de verhoging, die voorin is opgebouwd. Hij houdt een trommel voor zijn borst.

‘Geëerd publiek, wat u nu gaat zien, is een wereldwonder,’ galmt hij en geeft een roffel op de trommel, ‘twee mensen aan elkaar gegroeid voor eeuwig en altijd.’

Hij roffelt nog eens plechtig. Van opzij komt iets aanschuiven. Een mens? Nee, toch niet. Het is een wezen met twee hoofden, die aan elkaar vastzitten. Zitten ze echt aan elkaar vast of belazeren ze de boel?

Meek staat vooraan, haar mond zakt open. Dit heeft ze nog nooit gezien. De Vrouw met de Baard en de Dwerg ja die kent ze wel, ze was zelfs ooit eens bevriend met een Dwerg, maar dit is zo vreemd. Het is een, nee het zijn twee mensen. Het zijn twee-in -een mens, ze zitten aan elkaar vast. Het publiek houdt zijn adem in, het wordt doodstil. De tweeling is gehuld in een levensgrote grijze jurk, die over hen beide heenvalt als een tent. Het mens of het wezen heeft drie benen. De man in de ruiten broek tilt met een trommelstok de jurk op, een flap laat los en valt op de grond. Een zucht stijgt op uit het publiek,

‘Aaaaahhh.’

In de stilte die valt dringen de mensen naar voren, duwen tegen Meek aan, die terugduwt. Ze kijkt naar de linker en rechter zijde van de tweeling, die met elkaar vergroeid zijn, ook hun billen zitten aan elkaar vast. Ze moeten zich omdraaien van de man in de ruiten broek. Hij hanteert een van zijn trommelstokjes om ze te dirigeren in de richting die hij wil. Meek slaat een hand voor haar mond, ze ziet maar één paar billen.

‘Ahhhhhhh,’ zucht het publiek.

‘Maar één kont,’ roept de vlerk die naast Meek staat, ‘dat is makkelijk voor de poeperij.’

Hij slaat zich op zijn dijen, het publiek brult mee, hahaha dat is leuk.

De Ruiten Broek geeft de tweeling weer een tik, zij draaien zich om. Meek kijkt naar hun gezichten. Behalve een staartje haar met een strik erom bovenop hun hoofd zijn ze zo kaal als eieren. Ze kijkt in hun ogen, grote droeve ogen. De een staart in de verte, de ander kijkt naar het publiek. Meek denkt iets te zien glanzen in haar linker ooghoek. Als dit geen traan is, dan heeft ze er zelf wel een. Ze wordt misselijk, kokhalst, draait zich om, duwt tegen de mensen op om haar door te laten. Ze wil hier weg, weg. Dit wil ze niet meer zien, hoe kan het dat zoiets vreselijks bestaat. Het is een monster.

Getagged , , ,

De geschiedenis van de WC

foto: Romeins toilet

foto: Romeins toilet

De ontwikkeling van de wc vormt een verhaal apart binnen de geschiedenis van het sanitair. Het eerste toilet met doorspoelmogelijkheid werd al in 1596 in Engeland uitgevonden door Sir John Harrington. Zijn uitvinding vond echter geen grote navolging in Engeland of de rest van Europa, het was meer een incident.

Pas in de achttiende eeuw gingen porseleinfabrieken meer aandacht besteden aan de porseleinen pot of tinnen nachtspiegel. Deze diende‘ onzichtbaar te zijn en werd om deze reden verstopt in een bijzettafel of in een mooie stoel. De pot zelf mocht wel een lust voor het oog zijn en werd voorzien van allerlei decoraties. In de loop van de achttiende en negentiende eeuw waren er diverse uitvinders die hun wc systemen lieten patenteren. Aan het einde van de negentiende eeuw beleefde de wc, het water closet zijn hoogtijdagen wat vorm en decoratie betreft. De catalogi van Europese en Amerikaanse sanitairfirma’s staan vol met toiletten met welluidende namen zoals ‘Niagara Falls’, ‘Silentium’ of ‘Simplicitas’. Stuk voor stuk rijk gedecoreerd met bloemenmotieven of gegoten in de vorm van een dolfijn of leeuw.

Indien bedoeld voor publieke ruimtes waren de toiletten voorzien van een klein vliegje of bijtje, aangebracht onder het glazuur in de pot en bedoeld voor de heren om op te richten.

Uit: http://www.affairedeau.com

Getagged , , , , ,