Tagarchief: kinderarbeid

Ogen als donkere vijvers

foto:Deredactie.be

foto:Deredactie.be

Mijn Gromy had ogen als donkere vijvers waarin je haar oude lelijkheid vergat. Als je niet op paste raakte je er de weg in kwijt.

Mijn Gromy zag er uit als de heks uit de sprookjes, die zwaaiend met een stokje  kinderen in kikkers veranderde. Toch kon ze niet toveren, als dat zo was hoefde ik dit verhaal niet te vertellen.
Na haar veertigste of misschien wel eerder werd ze krom, haar rug werd bol en hoog, haar handen raakten de grond. Op haar zestigste stond er in haar mond nog één tand, geel en krom. Op haar hoofd wiebelde een knotje piekerig haar. Als een centenbak stak haar kin naar voren.

Ik was genoemd naar haar man Bertus. Mijn moeder nam mij mee als ze bij hem op bezoek ging. Gropy Bertus was thuiswever, Gromy Meek was er bijna nooit. Ze boende en schrobde alle dagen in werkhuizen. Als ze niet thuis was hoefde ik niet bang te zijn om in een kikker te worden veranderd.
Mijn moeder wist niets van deze gedachte. Als ik het haar vertelde, zou ze ‘bespottelijk’ zeggen op dat toontje van haar. Dan kneep ze haar mond samen en keek van uit een verre hoogte op mij neer.

Een keer was Gromy thuis, ze zat voor het raampje naar buiten te kijken. Mijn ma schrok, maar liep door. Ik had gezien dat ze schrok toen ze Gromy ontdekte. Daarom hield ik mij stevig vast aan haar rok. Ze kon geen stap meer verzetten zonder dat ze mij meesleepte.
‘Laat los, kind’ zei ze en nam mijn hand. Ik zette het op een brullen. Als ma al bang was van Gromy, wat dacht ze dan van mij.
Gromy was eng en fascinerend tegelijk. Haar ogen trokken mij naar haar toe, zij blonken als sterren. Toch durfde ik niet dichtbij te komen, stel je voor dat ik ging kwaken.

Getagged , , , , , ,

Standen en klassen in Nederland in de negentiende eeuw

foto:www.kennislink.nl

foto:www.kennislink.nl

Uit:Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap.

De Nederlandse maatschappij in de eerste helft van de 19e eeuw was een standenmaatschappij. Zij bestond uit twee standen. Daar was de brede onderlaag van de grote massa, die werd aangeduid als ‘het volk’ of als ‘de armen’; deze groep omvatte niet enkel degenen, die niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien en dus armlastig waren, maar evenzeer de valide arbeiders in loondienst.1)Het loonniveau was zo laag, dat het werkende volk op de rand van het bestaansminimum leefde en dientengevolge in even ‘armoedige’ omstandigheden verkeerde als zij, die door bedeling of bedelarij werden onderhouden. Vandaar, dat het bestaan van een arbeidende klasse tot het midden van de eeuw niet werd onderkend. Men kende als sociaal vraagstuk niet het arbeidersvraagstuk met zijn aspecten van arbeidsduur, vrouwen- en kinderarbeid, veiligheid en gezondheid in werkplaatsen of fabrieken; men kende alleen het vraagstuk van de armoede of, zoals men het toentertijd gaarne noemde, het pauperisme. Men beschouwde, anders gezegd, de loonarbeider slechts als consument, niet als producent. 2) Sociaal besef ontbrak geenszins; de overstelpende litteratuur over het pauperisme deed S. Vissering in 1852 verklaren, dat de armoede een rijke materie was. 3) Maar het bleef beperkt en eenzijdig.

Tegenover de omvangrijke groep van de armen stond die van de heren en dames, die behoorden tot den ‘gegoeden’, ‘deftigen’, ‘aanzienlijken’, ‘fatsoenlijken’ stand.

1)Hogendorp onderscheidde in 1800 twee soorten armen: valide arbeiders en zij, die niet tot arbeiden in staat waren. Zie L.G.J. Verberne, Het sociale en economische motief in den Bataafschen tijd (1947), blz. 12.

2)I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw4 (1959), blz. 194.

3)De Gids 1852, II, blz. 318.

Getagged , , , , , , , ,

Kinderarbeid in de 19e eeuw in Nederland

foto:www.literatuurplein.nl

foto:www.literatuurplein.nl

Kaatje, het dochterje van de protagonist in mijn verhaal moet op haar vijfde jaar gaan werken in de Weverijen van Van Doorn. Zij moest gesponnen draden op spoelen winden. Het werk was eentonig, zwaar en ongezond. ’s Zomers werkte zij van vijf uur ’s morgens tot negen uur ’s avonds. Ze verdiende 20 tot 30 eurocent per week.
Door gebrek aan zonlicht bleef ze klein van stuk, had ze o-benen en liep ze krom. Niet alleen zij maar ook Frans, de antagonist in het verhaal lijdt aan deze verschijnselen.

De aandoening wordt rachitis genoemd ook wel Engelse Ziekte, een botaandoening die ontstaat door een tekort aan vitamine D en calcium. De ziekte komt speciaal voor bij kinderen in de prille jeugd. Voldoende blootstelling aan zonlicht kan rachitis helpen voorkomen door aanmaak van vitamine D in de huid.

De benaming ‘Engelse ziekte’ is ontleend aan het gegeven dat de ziekte in de achttiende en negentiende eeuw veelvuldig voorkwam in de geïndustrialiseerde wijken van Londen. Deze wijken werden volgebouwd met hoge huurkazernes. De straten waren nagenoeg onbereikbaar voor het zonlicht, maar dit was niet het enige. Vele kinderen moesten werken van drie uur ’s morgens tot zeven uur ’s avonds en zagen nooit licht. Het lichaam heeft zonlicht nodig om vitamine D aan te maken. Dit is een vitamine die ons lichaam zelf aan kan maken. Vitamine D is onder meer nodig voor de botgroei. Bij veel kinderen groeiden door het gebrek aan zonlicht de benen krom. Door de kromme benen liepen de getroffen kinderen moeilijk. Aangezien rachitis voor het eerst in de Engelse grote steden werd waargenomen en vandaaruit in de medische vakbladen werd gepubliceerd, heeft het in de volksmond de naam ‘Engelse ziekte’ gekregen. (uit:https://nl.wikipedia.org/wiki/Rachitis)

In Oost-Groningen is een daarvan afgeleide uitdrukking ‘Engelse benen’. Als iemand onhandig loopt of strompelt, kan diegene te horen krijgen: “Ga toch weg met je Engelse benen!”.

Getagged , , , , , , ,

Satanskind

Als pa in de buurt is, is Trijn poeslief, maar hij heeft z’n hielen nog niet gelicht of ze begint te kijfen.

Pa weet een baantje voor Meek als naaister in een andere plaats, dan kan ze weg bij die heks, maar ziet ze hem ook niet meer.  Meek moet er niet aan denken, maar van Trijn, haar stiefma, wil ze verlost zijn.

Als Meek klaar is met haar werk op de weverij, snaait ze zelf haar kostje bij elkaar, komt pas thuis als ze zeker weet dat pa er is. Soms mislukt dat zoals vandaag vanwege een plotselinge hagelbui, die boven haar hoofd losbarst. Ze rent naar huis en staat  binnen voorovergebogen haar natte haar uit te knijpen als ze een stomp op haar rug krijgt.

‘Ken je dat niet buiten doen?’ hoort ze Trijn zeggen, voordat ze naar adem snakkend in elkaar krimpt. Als ze weer adem heeft draait ze zich om.

Trijn staat met een grijs op haar gezicht, een arm in haar zij naar haar te kijken. ‘Satanskind.’ Trijn spuugt het woord in Meeks gezicht. Een rode golf rimpelt van Meeks tenen naar het kruintje van haar hoofd. Bliksemsnel trekt ze de bezemsteel uit Trijns handen.

‘Kom maar op, mens. Kom maar op als je durft.’

Zij houdt de stok voor zich en danst op haar blote voeten heen en weer. Met haar zwarte haar strak weggetrokken naar achteren in een staart die haar bruine ogen scheef omhoog trekt, heeft ze wel iets van een exotische krijger. Trijn deinst achteruit, valt over een krukje. Rechtop staat Meek en snuift. Wat een naar wijf is het toch met haar snert opmerkingen altijd. Is het haar schuld  dat haar ouders zo arm waren dat ze haar weg moesten geven. De golf zakt en maakt plaats voor het besef dat ze hier niet langer kan blijven. Ze is teveel. Meek gooit de bezem voor Trijns voeten,
‘Hier mens, hier is je stok.’

Ze holt door het laantje met de dikke struiken, die terwijl ze door hun bladeren scheert, fluisteren,
‘Wat is er met je, waarom huil je?’
‘Ik huil niet,’ ze boent in haar ogen, stuift het steegje in, struikelt over de oude bedelares, die haar verwensingen naroept. Ze holt verder tot voorbij de huizen tot ver in het land, daar waar de graanvelden de hemel raken, waar de schemering vertelt dat de nacht eraan komt en waar het ruikt naar vette aarde.

Haar vader is om deze tijd klaar met zijn werk als kleermaker. Zou ze hem vertellen over Trijn. Meek slikt. Als ze weggaat ziet ze pa ook niet meer en zo erg is het allemaal toch niet, eigenlijk met Trijn? Als stiefma in een goede bui is smeert ze wel eens een boterham met reuzel of schenkt een kop thee en ’s winters is het warm in het kot.

Daar komt pa aan, wat loopt hij krom!
‘Dag pa,’ roept Meek, want pa met zijn soepogen ziet niet zo goed.
Ze steekt haar arm door de zijne. De avond vouwt zich om hen heen. Vlakbij huis zijn ze als Meek zegt,
‘Pa, ik dacht dat baantje als naaister in dat plaatsje maar aan te nemen. Je weet wel dat waar die rijke klant van je het onlangs over had. Ik ben al dertien, ik kan dat best.’

Getagged , , , , , , , ,