Tagarchief: marketentster

Satanskind

Als pa in de buurt is, is Trijn poeslief, maar hij heeft z’n hielen nog niet gelicht of ze begint te kijfen.

Pa weet een baantje voor Meek als naaister in een andere plaats, dan kan ze weg bij die heks, maar ziet ze hem ook niet meer.  Meek moet er niet aan denken, maar van Trijn, haar stiefma, wil ze verlost zijn.

Als Meek klaar is met haar werk op de weverij, snaait ze zelf haar kostje bij elkaar, komt pas thuis als ze zeker weet dat pa er is. Soms mislukt dat zoals vandaag vanwege een plotselinge hagelbui, die boven haar hoofd losbarst. Ze rent naar huis en staat  binnen voorovergebogen haar natte haar uit te knijpen als ze een stomp op haar rug krijgt.

‘Ken je dat niet buiten doen?’ hoort ze Trijn zeggen, voordat ze naar adem snakkend in elkaar krimpt. Als ze weer adem heeft draait ze zich om.

Trijn staat met een grijs op haar gezicht, een arm in haar zij naar haar te kijken. ‘Satanskind.’ Trijn spuugt het woord in Meeks gezicht. Een rode golf rimpelt van Meeks tenen naar het kruintje van haar hoofd. Bliksemsnel trekt ze de bezemsteel uit Trijns handen.

‘Kom maar op, mens. Kom maar op als je durft.’

Zij houdt de stok voor zich en danst op haar blote voeten heen en weer. Met haar zwarte haar strak weggetrokken naar achteren in een staart die haar bruine ogen scheef omhoog trekt, heeft ze wel iets van een exotische krijger. Trijn deinst achteruit, valt over een krukje. Rechtop staat Meek en snuift. Wat een naar wijf is het toch met haar snert opmerkingen altijd. Is het haar schuld  dat haar ouders zo arm waren dat ze haar weg moesten geven. De golf zakt en maakt plaats voor het besef dat ze hier niet langer kan blijven. Ze is teveel. Meek gooit de bezem voor Trijns voeten,
‘Hier mens, hier is je stok.’

Ze holt door het laantje met de dikke struiken, die terwijl ze door hun bladeren scheert, fluisteren,
‘Wat is er met je, waarom huil je?’
‘Ik huil niet,’ ze boent in haar ogen, stuift het steegje in, struikelt over de oude bedelares, die haar verwensingen naroept. Ze holt verder tot voorbij de huizen tot ver in het land, daar waar de graanvelden de hemel raken, waar de schemering vertelt dat de nacht eraan komt en waar het ruikt naar vette aarde.

Haar vader is om deze tijd klaar met zijn werk als kleermaker. Zou ze hem vertellen over Trijn. Meek slikt. Als ze weggaat ziet ze pa ook niet meer en zo erg is het allemaal toch niet, eigenlijk met Trijn? Als stiefma in een goede bui is smeert ze wel eens een boterham met reuzel of schenkt een kop thee en ’s winters is het warm in het kot.

Daar komt pa aan, wat loopt hij krom!
‘Dag pa,’ roept Meek, want pa met zijn soepogen ziet niet zo goed.
Ze steekt haar arm door de zijne. De avond vouwt zich om hen heen. Vlakbij huis zijn ze als Meek zegt,
‘Pa, ik dacht dat baantje als naaister in dat plaatsje maar aan te nemen. Je weet wel dat waar die rijke klant van je het onlangs over had. Ik ben al dertien, ik kan dat best.’

Getagged , , , , , , , ,

De laatste veldtocht

foto: nederlandsekrijgsmacht.nl

foto: nederlandsekrijgsmacht.nl

Er brak wel eens een wiel, dan bleven ze achter in de blakende zon met nog een paar ongelukkigen. Dankzij de familie van ma, die een waakzaam oogje op hen hield, verliep de tocht zonder al te veel obstakels. Oom Dani reed mee met de karavaan in een licht wagentje, want ma was zijn lievelingsnichtje, haar mocht niets gebeuren. Vechten deed hij niet, daar begon hij niet aan. Hij hield zich goed verborgen voor de legerleiding.
‘Die koning en zijn zoon zorgen er zelf maar voor dat zij hun onderdanen terugkrijgen,’ zei hij en begon aan de reparatie van het gebroken wiel. Als het zwaar geregend had en ma en zij uitgeput waren van de lange mars in de modder nam hij Meek en haar ma op sleeptouw in zijn wagen. Hij zong liedjes en vertelde verhalen over beren, die hij geschoten had, ver weg over de donkere bergen, de gevaarlijke passen, maar ook over de saamhorigheid van de clan en de avonden dat er gedanst werd bij het vuur. Meestal echter was het bloedheet, die zomer van 1830.

Voor Meek was dit de eerste keer dat dat ze meeging met een leger dat ten strijde trok, de laatste veldtocht was vijftien jaar geleden bij Waterloo, toen was ze nog niet geboren. Ze keek haar ogen uit. Voorop marcheerden de troepen en officieren met vaandels voorafgegaan door trommelaars. Ze werden gevolgd door wagens vol vrouwen, zigeuners, kinderen, kippen, geiten en ander vee. ’s Avonds bivakkeerden ze in een tent, die ma samen met oom Dani opzette. Al gauw kwam pa. Moe en modderig viel hij aan op de soep die ma bereid had. Na het eten ging Meek er op uit, maar al snel verboden haar ouders dit.
‘Dat rondzwalken tussen vreemd volk is niets voor een jong meisje,’ zei pa.
Mokkend schikte Meek zich in haar lot. Gelukkig ging oom Dani viool spelen. Ma schopte haar laarsen uit en danste. Als hij er was keek pa toe en sloeg de maat met zijn geweer. Meek schudde haar slechte humeur van zich af en danste mee. Ondanks de vermoeidheid kwamen vrouwen en mannen op het uitbundige gedoe in hun tent af.

Toen er dan gevochten moest worden werd het de vrouwen verboden hun mannen naar het front te volgen. En dus zaten de mannen al snel zonder voedsel en drank. Het enige waar de legerleiding in voorzag was veel te zoute soep. Noodgedwongen dronken de soldaten smerig water uit de sloten waar levende insecten in dreven, zij stierven als ratten aan de cholera.
Gelukkig overleefde pa de insecten en de oorlog. Toen de strijd gestreden was gingen zij naar huis en nam hij zijn werk als kleermaker voor het leger in Den Bosch weer op, alsof er niets gebeurd was.

Getagged , , , , , , , , , ,

De ‘Wie’ van mijn roman

kinderarbeid

foto:slavenenheren.wikispaces.com

Een blog waarmee ik aandacht wil vragen voor het boek dat ik bezig ben te schrijven over mijn bet, bet-overgrootmoeder, die leefde in de 19e eeuw, een eeuw vol veranderingen. Deze eeuw kende een enorme ontwikkeling van wetenschap en technologie, wat zorgde en volgens mij nog steeds zorgt voor een materialistische levensbeschouwing en een geloof in de vooruitgang. De eeuw begint met de machtige Napoleon Bonaparte.

Mijn bet, bet-overgrootmoeder, die ik van nu af Meek zal noemen, haar officiële naam was Mekala, werd geboren in 1815 of 1817, over haar juiste geboortedatum zijn de boeken en geschriften het niet eens, in ieder geval vlak na Napoleons Waterloo. Zij kende de verhalen over de Slag, omdat haar vader in zijn jonge jaren als soldaat meetrok met de legers evenals zijn vrouw, haar moeder. Dat was in die tijd gebruikelijk, anders kreeg de arme man niet te eten. Meer hierover lees je in mijn blog ‘Bron van alle kwaad’, https://juliatells.com/2014/06/25/bron-van-alle-kwaad/.

Hieronder een fragment ‘wie is mijn protagonist’:

De pastoor opent een deur naar een kamer vol boeken. Zoveel boeken heeft Meek nog nooit gezien, ze steekt haar neus in de lucht en snuift, het ruikt muf alsof er nooit gelucht wordt. In het halfdonker schijnt door een kier van de gordijnen de zon. In de lichtbundels dansen ondeugende stofjes over het tapijt. Het is een dik kleed in allerlei kleuren bloemmotieven, die hier en daar slijtageplekken vertonen. Ze zal straks het raam open zetten en de stoffigheid verjagen. Wat zei de pastoor nou ook alweer wat dit voor kamer was? Hij noemde een moeilijk woord, omdat hij daar wel vaker last van heeft, heeft ze niet opgelet.
‘Zeg maar gewoon boekenkast in plaats van bibliotheek Meek,’ zegt hij, ‘deze kast moet je iedere dag afstoffen, maar de boeken mag je er niet uit halen, je moet er heel voorzichtig met de plumeau overheen strijken.’
Meeks ogen worden glazig. Hij pakt de korte bezem met de veren uit haar hand en veegt er voorzichtig mee over de boeken. Ooo, dat is een stoffer, hoe noemde de pastoor dat nou ook alweer? Hij gebruikt wel heel veel onbekende woorden, afijn dat hoort kennelijk bij geleerde mensen. Haar pa praatte vroeger wel eens over klanten die boeken in huis hadden. Rijke mensen waren dat, die konden lezen en schrijven. Zij is niet naar school gegaan, daar was geen tijd voor, ze moest werken en geld verdienen. Nieuwsgierig had ze pa allemaal vragen gesteld, maar hij haalde zijn schouders op en zei,
‘Dat is niets voor ons soort mensen.’
De pastoor heeft een dik boek uit de kast getrokken, slaat het open en begint hardop te praten. De woorden glijden langs haar oren, wat een moeilijke woorden, wat saai….
‘Luister je wel, Meek?’ de pastoor kijkt haar aan.
‘Natuurlijk, mijnheer pastoor,’ Meek gaat rechtop staan en richt haar aandacht op de zwarte figuur, die luid verder leest. Haar handen friemelen aan het golvende randje van haar schort. Ze gaat van de ene voet op de ander staan. Zou die man nou echt denken dat ze dit leuk vindt? Staat er niets beters in die boeken?

Getagged , , , , , ,